Eerst even over de vlucht. Alles ging goed, alleen ik had wel flink wat vertraging. We stegen pas om vier uur op.... Er waren meerdere problemen. Eerst kwam er een of andere Henk te laat. Daar kon dus 400 man op gaan zitten wachten (Boeing 747.) Toen was er een mechanisch probleem en toen we eindelijk op konden stijgen moest er weer iemand het vliegtuig uit voor een of ander noodgeval. Grr...
Bij aankomst heb ik gelijk de schraalaap uitgehangen door tegen een wat ouder echtpaar aan te lullen dat ik voor een veel goedkopere taxi kon zorgen dan de officiele airport taxi's. Die kosten namelijk ruim dertig piek en ik wist van vorig jaar dat je met de normale taxi voor de helft dezelfde afstand aflegt. Wij dus gewoon naar buiten bij het vliegveld (ondanks alle 'waarschuwingen' van de 'officiele' chauffeurs.) Het draaide erop uit dat die mensen de snelwegtol, de airporttoeslag en de ritprijs tot aan hun hotel betaalden en ik alleen het ritje van daar tot aan de backpackersstraat. Nog maar twee kilometers dus! Die mensen blij, want zij waren goedkoper bij hun hotel en ikke blij want ik was voor een paar gulden op m'n bestemming!
Ik heb nu een wat luxere kamer geboekt, met eigen badkamer, toilet, airco en tv. Kost 12 Euro per nacht en dat is hier duur. Straks komt Joris en dan is het maar 6 Euro de man. Wel effe lekker om een beetje te acclimatiseren. Het hotelletje heet KhaoSan Palace Hotel en het zit op Thanon Khao San. Ik heb ook nog een filmpje gemaakt van de kamer, ik hoop dattie werkt want het kost me hier 5 minuten om 'm up te loaden...
Ik ga nu eerst wat eten en even relaxen op m'n kamer want ik ben gaar!
1 februari 2003
Hier een mailtje uit het zonnige, maar stinkende Bangkok. De aankomst is goed verlopen en Joris is ook gearriveerd. We hebben vanmiddag Jezus Nikes gekocht, want gewone schoenen zijn niet echt fijn met de temperatuur hierzo (30-35 graden en dan noemen ze dit het koele seizoen...) Ik heb ook een filmpje bijgevoegd van Joris die boven het Bangkokse verkeer op een brug staat. Op de achtergrond kun je het megawarenhuis zien waar we sandalen en t-shirts hebben gekocht.
Vanavond gaan we naar Chinatown, want daar barst (hopen we) om twaalf uur de bom i.v.m. het Chinese Nieuwjaar. Ik neem m'n digitale camera wel mee en misschien valt er nog wel een leuk filmpje van te maken. Ik hoop dat ze van die dikke miljoenklappers hebben...
De taxichauffeurs zijn hier trouwens redelijk wazig. Op de dag van aankomst nam ik een taxi van de luchthaven naar het centrum van Bangkok om een kamer te zoeken. De chauffeur sprak amper Engels maar vroeg naar mijn reisplannen. Ik zei tegen 'm dat ik eerst een maandje Thailand ging doen, vevolgens naar Cambodja, Vietnam, Laos en misschien een stukje China. Toen ik Cambodja opnoemde flipte hij achter zijn stuur en probeerde mij iets duidelijk te maken. Ik verstond er alleen helemaal niks van. Op een gegeven moment pakte hij zijn Zippo aansteker en riep: Cambodja! Vervolgens pakte hij z'n krant en riep: Thailand! Om daarop tijdens de drukke ochtendspits onder het rijden zijn eigen krant in de fik te steken... Ok, boodschap duidelijk.
Later op mijn hotelkamer zag ik op CNN dat er onlusten uitgebroken waren tussen Thailand en Cambodja. Ik weet niet of jullie het op het nieuws hebben gezien, maar in Phnom Penh hebben de Cambodjanen de Thaise ambassade in de fik gestoken. Dit als reactie op een uitspraak van een Thaise filmster dat de tempels van Angkor Wat eigenlijk aan Thailand toebehoren! Heethoofdig volkje he? In ieder geval; alle Thai zijn geavacueerd uit Cambodja en de grens is nu dicht. Dit haalt dus een vette streep door mijn reisplannen. Balen! Ik heb al met Joris overlegd en misschien dat we via Vietnam of Laos nog naar Cambodja gaan. Voor westerlingen is waarschijnlijk de Cambodjaans/Thaise grens wel gewoon open, maar we gaan nu liever niet via die kant het land binnen. We hebben nog een paar weken voor de boeg voordat we die kant op gaan dus we zien wel hoe de zaken er tegen die tijd voor staan.
Het is trouwens ook weer effe wennen aan de Thaise volksaard als je net zoals ik het chagrijn uit Frankrijk gewend bent. Iedereen loopt hier de hele dag naar je te smilen en ze zijn heel hulpvaardig. Vaak hoef je er nog niet eens om te vragen. Daarbij houden ze overigens wel gepast afstand, zodat ik niet bang hoef te zijn dat m'n telefoon nog een keer wordt gejat, net als vorige week vrijdag in Parijs.
Verder is het hier zeer goed en zeer goedkoop eten. Voor 2-3 Euro heb je je avondeten in de klep en op straat eet je al voor 50 Eurocent. Wel moet je oppassen voor de pepers die erin zitten. Ik heb gisteravond een paar uur lang een lamme tong gehad nadat ik vrolijk een hap nam van mijn kip met cashewnoten. De eerst hap en ik bijt gelijk op zo'n rood kreng; vlammen!
Verder is het enige naar verhouding zeer dure maar essentiele artikel; Bier! Ongeveer 2 Euro voor een halve liter.
We blijven tot maandagochtend in Bangkok en dan pakken we de trein naar het tropische Krabi. Misschien wel bij jullie bekend als de locatie waar de film The Beach en The Man With The Golden Gun opgenomen zijn. Tot die tijd vermaken we ons prima hier in Bangkok. Gisteravond hebben we wat cocktails gedronken in een barretje waar alleen maar Thai zaten. D'r speelde een live bandje en de sfeer was zeer goed. Iedereen zingt hier gewoon lekker mee. Ook in de taxi beginnen chauffeurs soms spontaan te zingen. Met allerlei handgebaren enzo, klinkt vaak nog best redelijk, al versta ik er helemaal niks van.
Daarnet zaten we trouwens bij de Thaise versie van Jos Verstappen in de taxi. Die vent reed echt als een freak, aan alle kanten inhalen, door rood, snijden, niet normaal meer. Hij deed wel de helft van de tijd over het ritje in vergelijking met de chauffeur die we gisteren hadden, maar dit was echt te erg! Ik was blij toen ik de auto weer uit was.
2 februari 2003
Het Chinees nieuwjaar viel lichtelijk tegen. Chinezen hier steken geen vuurwerk af! (misschien omdat heel Bangkok dan in de fik gestoken wordt?) We hebben wel wat draken met van die Chineesjes eronder gezien, maar toch niet echt wat ik ervan verwacht had. Chinees nieuwjaar betkent hier maar 1 ding. Je een paar dagen lang helemaal de tyfus eten. Dat hebben wij dan ook maar gedaan en daarom is Joris nu aan de dunne.
17 februari 2003
Zo ik ben weer terug van de eilandjes en wederom slachtoffer van het verkeer en de stank in Bangkok. We zijn net terug van de kapper en dat was wel een aparte ervaring. Het was een behoorlijk trendy kapper met natuurlijk een flink aandeel nichten, maar gelukkig had ik een kapster (Joris was dus wel de sjaak...) Ze begonnen met m'n haar te wassen en dan niet een keer, maar wel vier keer achter elkaar. Hoofdmassage, vingertjes in je oren, niks werd er overgeslagen hoor. Vervolgens zijn ze met z'n tweeen bijna een uur aan je aan het prullen. Haar voor haar dus. Vervolgens weer opnieuw wassen (!) en fohnen en dan weer knippen. Wel waar voor m'n 5 euro'tjes hoor...
De eilanden in het zuiden waren echt weer zwaar relaxed. Op het eilandje Ko Tao aan de Thaise golf was ik anderhalf jaar geleden met Sjoerd al eens geweest. Ondertussen is er veel veranderd. Zo kun je er nu mobiel bellen en pinnen. Verder zijn er ook veel wegen nu verhard i.p.v. modderige zandpaden. We hebben op het eiland kleine motoren gehuurd om het eiland helemaal rond te rijden. Daar konden we dus echt steile hellingen en slechte paden zonder problemen mee opcrossen. Behoorlijk wat power in die dingen! Om het compleet te maken werd er geen helm, slot en verzekering meegeleverd en moesten we natuurlijk aan de linkerkant van de weg rijden. Ik heb nog een klein filmpje op sukkels.com staan wat een beetje een impressie geeft van het rijden daar. En dat was nog op een verhard pad... Verder natuurlijk flink wat gesnorkeld. We hebben zelfs tussen de haaien gezommen, die ik deze keer wel tegen kwam i.t.t. twee jaar geleden. Best wel een aparte ervaring, want die beesten zijn toch anderhalf a twee meter groot. Een lokale knakker vertelde ons dat het black fintip reefsharks waren (of iets dergelijks..) Op Ko Tao zijn we ook een stel uit Oosterhout tegengekomen. Gordon en Krystle uit de Donkerstraat, weer enorm toevallig dus. Twee jaar geleden precies hetzelfde op Ko Tao. Toen kwamen Sjoerd en ik Jeroen Traa en z'n vriendin tegen... Oosterhouters zitten ook overal... Na een paar dagen Ko Tao zijn we verkast naar Ko Pha Nghan. Dit is het eiland waar de beruchte full moon parties gehouden worden. Met vijfduizend man helemaal los op het strand en iedereen twee buckets (emmers ja!) Thaise Whisky in z'n pollen. De full moon party heb ik samen met Sjoerd al eens meegemaakt (en toch ook weer niet...) Die buckets zijn dodelijk! Deze keer hebben we het iets rustiger aangedaan, maar de bucket liet zich niet kisten en dus toch nog een klein beetje last gehad... De bucket is trouwens onderhevig geweest aan inflatie en kost nu nog maar 100 Baht. Dat is ongeveer 5 gulden voor een fles (!) Whisky, een flesje Red Bull Muy Fuerte en een blikje coke. Tja, dat merk je aan de mensen om je heen... Voor de rest een beetje op het strand gelegen en niet veel meer uitgevoerd dan liggen op Thaise kussens, luisteren naar zwaar rustgevende loungemuziek en drinken van mangoshakes. Ah, het betere leven. Iedereen lult daar ook heel makkelijk tegen elkaar aan, dus we hadden gezellige avonden met Canadezen, Noren, Israeliers, Zweden en Nederlanders door elkaar gemixed. Verder was ik nog behoorlijk verbrand en ik kreeg daardoor weer eens een ouderwets lekkere jeukaanval op m'n rug. (Sjoerd weet hier meer over te vertellen...) Na een tijdje besloten we weer eens te verkassen en wel naar het Zuidwesten. Daar ligt de provincie Krabi en deze provincie staat bekend om z'n enorme leistenen rotsen en pittoreske kleine baaitjes met schitterende stranden. Op de pier in Ko Pha Nhang kwamen we Krystle en Gordon weer tegen, die toevallig precies dezelfde bestemming hadden als Joris en ik. Niet te geloven! Echt een megatocht was dat trouwens. Om 8 uur opgestaan, want ik moest nog zorgen dat m'n was die ik de vorige avond nog had gedaan helemaal droog was. Om tien uur gegeten en om elf uur de taxi gepakt. Een half uurtje off road gecrossed naar de pier en daar bijna twee uur op de boot zitten wachten die vertraging had door redelijk hoge golven. Vervolgens bijna drie uur gevaren. Bij aankomst een uurtje wachten op de bus. Daarna twee en een half uur rijden naar Krabi. Daar de taxi gepakt naar Ao Nang (weer een echte wegpiraat en m'n backpack lag los op het dak...) Vervolgens een longtailboat gechartered en een half uurtje gevaren naar Hat Ton Sai. Die hele dag reizen kostte me overigens omgerekend een Euro of 12... Het was inmiddels al lang donker en we moesten nog een een kamer zoeken. Uiteindelijk eentje gevonden voor 650 Baht (30 piek.) Dat is behoorlijk duur maar ja, er zat niks anders op. Toen we de kamer ingingen merkte ik dat een slang in de badkamer lekte. Ik pak dus m'n tang uit m'n nieuwe zakmes en draai de ring een slagje aan. Hij was bijna dicht en lekte niet meer. Ik dacht dus; nog een klein draaitje en hij is dicht. Not! Schiet gewoon heel die fucking ring los en spuit er een megastraal water recht m'n muil in. Ikke tegen de waterkracht in proberen weer die ring er terug op te krijgen. Dit lukte gelukkig na een paar minuten, maar intussen stond heel de badkamer al blank. Joris ging intussen iemand van het resort halen om de boel te fixen. Kwam er zo'n waasaap Thai aan en binnen no-time stond echt heel de bungalow blank. Wij al onze spullen op de bedden en stoelen leggen. Er kwam gewoon een golf door de voordeur naar buiten. Later kwamen er nog twee Thai helpen en een half uur later was het lek pas dicht. Wij dweilen en om 1 uur 's nacht keikapot ons nest in.
Het gebied rond Krabi hebben we met z'n vieren nog behoorlijk intensief verkend. Even de bergbeklimmer uitgehangen. Liters zweet heeft het me gekost maar ik heb wel apen in het wild gezien. Ik heb ze nog proberen te fotograferen met de telelens, maar ze waren behoorlijk schuw, dus ik weet niet of het gelukt is. Wat voor soort apen het waren weet ik niet, maar ze konden sprinten door het bladerdak! Niet normaal meer. Het leken me een soort gibbons, ze hadden ook een witte bril van vacht op. Later vertelde Marianne me aan de telefoon dat het makaken zijn. Ik wacht de foto's in ieder geval met spanning af. Verder zijn we ook nog een groene slang tegengekomen. Die heb ik ook nog gefotografeerd, maar ik denk niet dat er veel op de foto is te zien want er was erg weinig licht onder het dichte bladerdak. Het eindpunt was trouwens een besloten lagune, waar je als je omhoog keek, alleen een ring van begroeing en rotsen om je heen zag op een hoogte van zo'n 50 meter. Ik moest dus eerst de omliggende ring overklimmen om vervolgens door de bossen beneden in de lagune uit te komen. Toen ik weer terug ging, moest ik het stuk wat ik afgedaald had weer via touw met knopen terugklimmen. Maar goed dat ik een halfjaartje getrained heb bij Sauer want dat viel nog niet mee! M'n shirt kon je dan ook uitwringen. Joris en Gordon hadden geen bergschoenen aan en waren dus al niet eens aan de afdaling begonnen. Ik was dus helemaal alleen beneden in de lagune. Dat was best wel een aparte ervaring.
Toen we bijna weer terug waren kwamen we nog een groepje Thaise meisjes en jongens tegen. Begonnen ze opeens allemaal te kirren enzo en wilden ze een voor een met me op de foto! Ik gewoon lekker poseren natuurlijk, maar ik snap er nog steeds niks van. Misschien dat ze me voor een of ander bekend persoon aanzagen ofzo. Ik sta in ieder geval in een stuk of 8 Thaise plakboeken met een rood bezweet hoofd en plakhaar. Lachen!
Een dag later hebben we ook nog een National Park bezocht. Ik heb nog foto's van een waterval gemaakt en we hebben een paar uur door het woud gelopen en naar een punt van 1500 meter hoog geklommen. Weer shirtje wringen dus, maar jammergenoeg niet veel wilde dieren gezien.
Nu ben ik dus weer terug in Bangkok. We hebben afgelopen nacht lekker rechtop in een bus gezeten en dus voor geen meter geslapen. Morgen moeten we er weer tegenaan, want we staan al om kwart voor vijf op om de trein van kwart voor zes richting Cambodja te pakken. We gaan eerst naar Siem Reap om de oerwoudtempels van Angkor Wat te bezoeken. Daarna zien we wel weer.
18 februari
He he, we zijn veilig aangekomen in Siem Reap Cambodja, maar man wat een reis. In Bangkok ging alles soepeltjes. Je kan geen tickets voor de trein reserveren dus we gingen om 5 uur 's ochtends op goed geluk naar het station om proberen kaartjes te regelen voor de trein van 5:45. Dat was geen probleem en de trein vertrok ook op tijd. We zaten wel 3e klasse, dus van die lekkere kerkbanken. Ik heb maar effe de klamboe van janneke gebruikt als kussen. Zat prima en geen last van m'n rug gekregen. De trein tot aan de grens van Cambodja kostte ons trouwens maar 48 Baht, dat is ongeveer een knaak...
Toen we aankwamen in het grensstadje begon de ellende. Overal mensen om je heen, opdringerig en irritant. In de lonely planet werd hiervoor al gewaarschuwd, maar opgelicht word je toch. Op een gegeven moment bij de visumaanvraag bijvoorbeeld. We hadden zogenaamd een pasfoto nodig, die hadden wij dus niet. Geen probleem we maken er wel een voor je voor 100 Baht. Ok, zit niks anders op denk je dan. Vervolgens blijkt later dat je helemaal geen pasfoto nodig hebt en de zogenaamde official (met uniform en al) 'm al met je geld gepeerd is. Verder lopen er heel de tijd gasten met je mee, die van alles voor je willen regelen. En dan heb je nog de kleine groezelige ratjes, die met hun smerige pollen op zoek zijn naar je centen, papieren en dure spullen. De douane officials waarschuwden ons nog speciaal ervoor. If it is stolen, we can't help you. You're on your own... Lekker warm gevoel vanbinnen krijg je daarvan hoor. Toen het busje naar Sisonphon. Tenminste, dat dachten we. Wij stevig onderhandelen en een prijs afgesproken. Blijkt achteraf dat ze helemaal geen busjes hebben, maar alleen song thaews; pick up truckjes dus. Ok, beetje kut, maar het is maar 48 km dus dat trekken we wel. Niet dus. Die chauffeur rijdt een of andere achterbuurt in en er worden me toch een partij mensen achterin bijgestouwd. Op een gegeven moment zaten we met z'n tienen in de laadbak. Plus tassen met stinkend fruit, vuilniszakken vol plastic flessen, bakken met soep en je kunt het zo gek niet verzinnen of het werd ingeladen. Wij dus met onze benen in de nek over een zandpad bonken, er is namelijk geen weg daar. Alleen maar een kuilige bonkzooi, waar je reet binnen de korste tijd tegen begint te protesteren. Wij dachten dat we het toen wel gehad hadden. Niet dus, nog een paar rimpelige oma's, een kind en een zooitje tonnen werden achterop gebonden. 18 man in de laadbak van een stom klein truckje. Naast me zat een! tandeloze rimpelbak een of ander fruit te eten en spuugde de pitten zo lekker langs m'n benen op de vloer, maar dat was nog niet het ergste. Aan de andere kant naast me zat een gast, die in eerste instantie wel aardig was, maar zich steeds vast hield aan mijn knie. Iedereen deed dat omdat er voor de rest weinig was om jezelf aan vast te houden, maar hij liet z'n ranzige klauw steeds verder zakken tot hij onderhand bij m'n klokkenspel zat. Heb ik weer, net tien minuten in Cambodja en ik heb de lokale homo achter me aan zitten. Ik trok z'n hand weg maar even later flikte hij het weer, toen was ik het beu en liet effe duidelijk weten dat ik daar niet van gediend was. Vuile ransaap. Daar deinsde hij wel van terug, maar even later begon hij praat uit te slaan als; You like Fuck? Tegen Joris begon hij te zeggen dat de oma die tegenover 'm zat wel met hem wilde kezen enzovoort. Ik was blij toen hij op een gegeven moment uitstapte, maar als hij nog iets had geprobeerd, had ik 'm toch ! even die truck uitgetrapt. Die lui komen hier toch net tot onder m'n oksel. Nee dat was echt een leuke rit. M'n reet was intussen wel blauw gestuiterd en we kwamen eindelijk aan in Sisonphon. Daar kwam de lokale taximaffia gelijk weer op ons af om ons het volgende rijdende kippenhok aan te smeren naar Siem Reap. No Thanks. We zijn een straatje om gelopen en we hebben daar een gewone auto (hoewel..) geregeld naar Siem Reap. Weer allerlei naaipraktijken werden er uitgeprobeerd natuurlijk. Zo hadden Joris en ik een auto geregeld specifiek voor ons tweeen alleen. Ok, ok no problem, een straatje rijden en dan even later zeggen dat we moeten uitstappen en bij een andere auto instappen die ook naar Siem Reap ging. Daar zaten al vier anderen in. No way dus. Wij keihard; we made a deal now drive! Weer allemaal dralen en moeilijk doen. Wij irritant terug doen door constant achter op de stoel van de chauffeur te slaan, te tikken op onze horloges en heel de tijd come on, drive! te roepen. We made a deal! Drive! Drive! En beetje gekanker op z'n hollands deed ook! wonderen. Uiteindelijk vertrokken we, met Colin McRae als chauffeur. Hij had een verhogingsset met speciale schokbrekers en enorm grote banden onder z'n Toyota Camry gelegd en reed alsof hij een rallye-proef af moest leggen. Niet normaal meer en wij dachten dat de chauffeurs in Bangkok erg waren. Er was geen weg, alleen een zandpad met kuilen en het landschap leek meer op Marokko dan op Azie. Die vent reed constant tuuterend, asociaal snijdend, heen en weer slingerend naar Siem Reap. Verder had hij de irritante gewoonte om van z'n hand een pistool te maken en zogenaamd te schieten op alles en iedereen die volgens hem niet genoeg opschoten. Links en recht ging hij er dan voorbij om ze vervolgens expres eventjes af te snijden. Zelfs bij fietsende schoolkinderen, zwaarbeladen trucks en bepakte motorrijders deed hij dat. Echt een eikel. Verder gaf hij extra gas als hij een dier zag oversteken. Ik heb ook heel kleine kinderen weg zien springen, hij reed er echt rakelings en luid tuuterend langs. Volgens de Lonely Planet doe je 2 uur over het stuk van Sisonphon naar Siem Reap, wij deden het in slechts 1 uur, inclusief pispauze... Ik was dan ook blij toen we levend aankwamen. We zitten nu in het Popular Guesthouse in Siem Reap en hebben hier best een mooie kamer inclusief badkamer voor 5 Dollar (wordt hier het meest gebruikt) per dag.
Even schrok ik toen we in Cambodja aankwamen. Echt 3e wereld ineens, vooral toen we op die klotetruck zaten en door die achterbuurt reden had ik het niet breed. Ik had namelijk een jaarsalaris aan foto-apparatuur om m'n nek hangen. Gelukkig valt het hier in Siem Reap wel mee, maar ik ben nu al zover dat ik Thailand luxe vind... Morgen gaan we een dagje relaxen en de dag erna gaan we naar de tempels van Ankor Wat (onderwerp van de afgelopen ruzie tussen Thailand en Cambodja. Siem Reap betekent dan ook: 'De Thai Verslagen' en de naam van de stad stamt uit de tijd dat Thailand, Cambodja en Laos felle stijd leverden om grondgebied.)
De dag erna gaat Joris terug naar Bangkok en ben ik on my own. Dat zal niet meevallen denk ik, maar ja, effe doorbijten en het komt wel goed. Net hebben we wat gegeten en de stroom viel hier in een half uur al 2 keer uit. Net bij het mailen viel de stroom ook uit, maar deze computer heeft gelukkig een noodstroomvoorziening zodat ik niet al m'n tekst kwijt ben geraakt, pfwew...
19 februari
Nu hier in Siem Reap valt het me enorm mee. De mensen zijn hier arm, maar superaardig. Er lopen wel heel veel bedelaars rond, die allemaal een of andere ledemaat moeten missen of blind zijn. Dat komt door het schrikbewind van de Rode Khmer, die tot een paar jaar geleden de bevolking terroriseerden met steun van communistische Vietnamezen en onder leiding van dictator Pol Pot. Over het land verpreid ligt nu nog een geschat aantal van 4 tot 6 miljoen landmijnen. Er wordt dan ook geadviseerd om niet van paden en wegen af te wijken. De voornaamste slachtoffers zijn nu de boeren en de mensen in de grensstreken waar de meeste mijnen liggen. Er is hier geen sociaal vangnet voor mensen die getroffen zijn en dat verklaart de grote aantallen bedelaars. Wij betalen hier alles in Dollars, dus het wordt moeilijk om aan de vele bedelaars geld te geven. We hebben dat opgelost door telkens een flinke bos met kleine banaantjes te kopen en die dan uit te delen terwijl we aan het wandelen zijn! Daar zijn ze ook hartstikke blij mee, vooral de kinderen. Zij moeten namelijk vaak hun geld afstaan aan hun pa die er sigaretten voor koopt ofzo. Voor de rest zijn de bedelaars niet irritant aanwezig en al gauw raak je eraan gewend. Vandaag hebben we een beetje een relaxdag ingelast. We hebben een krantje gekocht en lekker op een bankje in het lokale stadspark zitten lezen. Al snel ben je hier dan een attractie voor lokale mensen. Kinderen komen over je schouder de krant 'meelezen' en de lokale meisjes willen luid giechelend met je op de foto. Geen probleem hoor. Vooral mijn haarkleur (inmiddels wat blonder door de zon) vinden ze fantastisch. Even stonden de meisjes nog wat giechelend elkaar op te jutten en toen kwam er eentje gauw een kus op m'n wang geven waarna ze allemaal luid lachend snel wegliepen. Tja, een blonde kop ligt hier goed in de markt denk ik.... Later op de dag hebben we twee motortaxi's gepakt naar een heuvel vlak bij Angkor Wat. Dat is het grootste religieuze complex ter wereld en op het niveau van monumenten als de pyramide van Gizeh in Egypte en Machu Pichu in Peru. We hebben kaartjes gekocht voor het astronomische bedrag van 20 Dollar per dag. Dat komt omdat een of andere oliemaatschappij door vette corruptie de toegang tot het monument mag controleren. Slechts een klein gedeelte van het bedrag gaat naar het behoud van de oerwoudtempels, niet echt een ideale situatie dus. De tempels van Angkor Wat hebben overigens ook gefungeerd als het decor van de film Tomb Raider, maar ik heb de film zelf nooit gezien. Mijn chauffeur vertelde trouwens dat hij voorheen soldaat was in het leger dat tegen de Khmer Rouge vocht. Hij had z'n vader en z'n broer verloren tijdens het regime en woonde nu alleen samen met z'n moeder. Ondanks de tragedies die tot 1998 duurden, lijkt iedereen hier toch redelijk opgewekt en positief. De mensen voelen zich verlost en koesteren de eindelijk verworven vrede. Daarnet bijvoorbeeld; Joris en ik maakten nog een wandeling langs de plaatselijke rivier. Op een gegeven moment kwamen we een groepje plaatselijk jongens tegen die lekker aan het jammen waren op alles wat geluid maakte. Van blikjes tot watertonnen, overal stonden ze op te rammen. Wij even checken natuurlijk en gelijk kregen we drank en sigaretten aangeboden en werden we uitgenodigd om mee te doen. Wij zwaar hollandse klazen natuurlijk, maar toch lekker meezingen, hengsten en dansen. Op een gegeven moment maakten ze duidelijk dat wij een liedje moesten zingen (ze spraken geen woord engels.) Wij konden zo gauw niets beters verzinnen en begonnen 'zie ginds komt de stoomboot' te zingen. Die gasten keken effe moeilijk en begonnen daarna te dansen en te jammen om er een beetje ritme aan te geven, echt lachen! We hebben nog even geproefd van de drank die ze bijhadden, maar het smaakte een beetje naar kerosine. Ze waren dan ook allemaal een beetje bezopen aan het worden, maar de sfeer was goed. Na een uurtje hebben we ons met veel handschudden en lachen losgeweekt en nu zitten we dan in een internetcafeetje onze mail te checken.
Volgens veel mensen in Thailand zou Cambodja veel duurder moeten zijn, maar ik vind het wel meevallen. Onze kamer met twee bedden, een ventilator, handdoeken en een eigen badkamer met spiegel, douche en westers toilet kost ons maar 5 Dollar per dag. Dat is minder dan 5 Euro en dus goed te doen. We kregen trouwens wel 2 Dollar korting. De uitbater zei tegen ons: Normal price 7 Dollar, but now business is slow, you pay 5 Dollar, please dont't tell other guests... Haha. 7 Dollar hadden we ook betaald hoor!
20 - 23 februari Angkor Wat
Op 20 februari hebben Joris en ik voor het eerst de tempels van Angkor Wat bezocht. Ik had natuurlijk ruim de tijd en daarom een toegangspas voor drie dagen gekocht. Joris moest echter de 21e alweer terug naar Bangkok om nog wat zaken te regelen alvorens hij naar Melbourne Australie vliegt om daar een half jaar te gaan studeren. We hadden, zoals ik geloof ik al eerder verteld had, twee vriendelijke motorchauffeurs geregeld. De mijne heet Chiit...
De eerste aanblik van Angkor Wat in het zachte ochtendlicht is adembenemend. Een ervaring die ik niet snel zal vergeten. Aangezien Cambodja pas sinds 1998 weer (veilig) toegankelijk is voor toeristen valt het wel mee met de drukte. Onze chauffeurs kenden de schema's van de hordes Kodakjappen en daarom waren we in staat om de tempels in relatieve rust te verkennen, zoals ook te zien is op de filmpjes. Veel mensen die hier komen, boeken een ticket vanaf Bangkok of Phnom Penh en vliegen rechtstreeks op Siem Reap. Vervolgens rennen ze een dag als een kip zonder kop rond en vliegen de volgende ochtend weer terug. Zonder ook maar iets van de rest van Cambodja te zien. Niet doen als je ooit nog eens van plan bent om hier naartoe te komen. Ik heb namelijk spijt dat ik slechts een ticket voor 3 dagen heb gekocht; 20 Dollar erbij en ik had een hele week gehad, tja...
Vooral de wat afgelegen tempels kennen weinig bezoekers en ademen begeleid door de geluiden van de oerwouddieren een raadselachtige sfeer. Ideaal om er een goed boek mee naartoe te nemen en een middagje te relaxen. Om eten en drinken hoef je nooit verlegen te zitten want regelmatig klinkt er uit een donkere tempelkrocht: "Missatah, you buy cold drink?"
De eerste dag hebben Joris en ik de tempels Bayon, Baphuon, Angkor Thom, Ta Prohm en Angkor Wat bezocht. Vooral Ta Prohm vond ik indrukwekkend. Deze tempel stamt uit 1186 en is volledig aan de wil van de jungle overgelaten. De wortels van de oerwoudreuzen hebben zich dan ook bruusk een weg door de tempelmuren en daken gebaand. Het resultaat is een zeer sfeervolle combinatie van natuur en cultuur en vormt een schitterend onderwerp voor film en fotografie.
Angkor Wat zelf is ook een belevenis op zich. Het is het grootste religieuzegebouw ter wereld en Cambodja's meest beroemde attractie. Ik kan iedereen die er ooit in de buurt komt dan ook zeker een bezoek aanraden.
De tweede dag Angkor Wat was tevens mijn eerste dag alleen. Joris was al vroeg opgestaan om de bus van 6:30 naar Bangkok te pakken. Ik ben deze dag samen met Chiit naar de wat meer afgelegen tempels geweest. Vooral de tempel van Preah Kahn vond ik mooi. Ik heb m'n statief meegenomen zodat ik ook af en toe zelf op de foto kon. Chiit rijdt gelukkig heel beheerst en veilig. Ik kan lekker relaxen achterop en van het uitzicht genieten. Chit rijdt zelden harder dan veertig en de wegen zijn goed in Siem Reap. Een motor met chauffeur kost me trouwens maar 6 Dollar voor een hele dag! De salarissen hier zijn namelijk ontzettend laag. Wel heb je hier overduidelijk toeristen- en localsprijzen. Ik betaal bijvoorbeeld 10 keer zoveel voor een fles water. Dan kost ie me nog maar 15 Eurocent hoor. Verder krijgt Chit een gratis maal als ik in een restaurant eten bestel. Gelukkig krijgt hij dat bij ieder restaurant en heeft hij daarom geen prikkel om me naar dure toeristenrestaurants te brengen. Eigenlijk is het wel goed dat toeristen hier veel hogere prijzen moeten betalen, want er zijn enorm veel arme mensen hier. Met een gemiddeld maandloon van 30 Dollar (buiten de toeristenindustrie) is het natuurlijk geen vetpot als je een hele familie moet onderhouden.
De derde dag ben ik naar Kbal Spean geweest. Dit was een takke-eind rijden over een zeer stoffige zandweg vol kuilen en gaten (zie bij de foto's het soppie voor en nadat ik m'n t-shirt erin gemikt heb...) Het was een kilometer of 35 rijden en we kwamen langs plaatsen waar het echte Cambodjaanse boerenleven goed te zien is. Kbal Spean is een ruim 1000 jaar oude stenen rivierbedding die bewerkt is door mensen die oorspronkelijk uit India afkomstig waren. De afbeeldingen zijn dan ook Hindoeistisch van aard i.p.v. het Boeddhisme wat overheerst bij Angkor Wat. De bedding ligt aan het begin van het Phnom Kulen Nationaal Park en is pas in 1969 herontdekt door de franse ethnologist Jean Boulbet. Kbal Spean is tot 1998 een hide-out geweest van de Rode Khmer en de hele regio ligt nu nog bezaaid met landmijnen. Er wordt dan ook sterk aangeraden om niet van de paden af te wijken. Het veilige gedeelte van de route is gemarkeerd aan weerszijden met rode verfstrepen op de bomen. Kom daar niet buiten, tenzij je er een hekel aan hebt om je teennagels te moeten knippen...
Vanaf de heuvels bij Kbal Spean heb ik nog enkele filmpjes gemaakt. Zie hiervoor de 'movies' afdeling.
De volgende stop was Banteay Srei. Dit is een hindoe tempel gewijd aan Shiva. De tempel bevat een van de beste staaltjes van beeldhouwwerk van de hele wereld en is ook na ruim 1000 jaar nog in een goede staat. Banteay Srei betekent 'Citadel van de vrouwen' en het gerucht gaat dat de tempel door een vrouw gebouwd moet zijn, aangezien de gedetailleerde steenbewerkingen te fijn zouden zijn om door mannenhanden gemaakt te kunnen worden...
Vandaag heb ik effe een relaxdagje ingelast. Morgen vertrek ik per boot naar Battambang, een reis van ongeveer vier uur. De boot gaat over het Tonle Sap meer, langs een drijvende stad en een vogelreservaat, via de rivier Stung Sanker naar Battambang. In de Lonely Planet stond dat dit een van de mooiste riviertochten van heel Cambodja is, dus ik ben benieuwd... De reis kost 13 Dollar, veel duurder dan per busje, maar de wegen zijn hier zo slecht dat ik het extra geld wel over heb voor het comfort (en de ervaring) van de boottocht.
Verder heb ik vandaag ook nog effe wat moed verzameld en ben ik gewapend met m'n digitale camera een lokale sloppenwijk ingelopen. Viel me alleszins mee. Geen bedreigende sfeer en uiterst vriendelijke en beleefde mensen. Ik heb er nog een paar filmpjes van gemaakt...
Ik blijf een maand in Cambodja. Mijn visum is tot 18 maart geldig. Als de rest van het land me goed bevalt blijf ik hier misschien langer. Ik heb namelijk pas rond 30 maart afgesproken met Arthur in Ho Chi Minh stad Vietnam. Ik moet dan wel een extensie van m'n visum aanvragen, maar misschien dat ik in Zuidwest Cambodja even kan grenshoppen naar Thailand. Daar is een 30 dagen visum gratis en dan kan ik dezelfde dag weer terug naar Cambodja, waar ik aan de grens een nieuw visum krijg voor 20 Dollar (er kruipt nu trouwens een Gekko vlak langs me heen, hij kijkt me een beetje arrogant aan... Zie ook het filmpje met het geluid van de Gekko) Dat is veel goedkoper dan een visumextensie die 45 Dollar kost.
Ik wil in Cambodja in ieder geval een paar plaatsen bezoeken. Ik ga eerst naar Battambang. Dat is een oude franse koloniestad, die zijn oorspronkelijke charme behouden heeft. Daarna naar de hoofdstad Pnhom Penh en de kuststad Sihanoukville. Verder wil ik naar de Ratanakiri provincie in het Noordoosten. Dat is een afgelegen provincie, waar amper toeristen komen. Er is daar een enorm groot nationaal park, wat nog niet eens helemaal verkend is. Er komen zelfs nog tijgers, olifanten en neushoorns in het wild voor en verder claimen rangers dat er watervallen van wel 100 meter hoog te vinden zijn. Ook zijn er waarschijnlijk nog door de jungle overwoekerde tempels te vinden net als hier in Angkor Wat. Angkor Wat is trouwens ook pas eind 19e eeuw herontdekt door franse ontdekkingsreizigers. Ik weet nog niet of ik een dergelijke die-hard reis wel aandurf, maar ik overweeg het zeker wel. Een voordeel is wel dat er in die streken nooit landmijnen gelegd zijn. Als ik de reis ga ondernemen, dan regel ik wel een gids, net zoals Sjoerd en ik in Thailand gedaan hebben. Ik kan eigenlijk alleen per vliegtuig in het gebied komen, maar omdat het nu droog seizoen is schijnen er ook 4WD's naar toe te gaan. Dat is al een Camel Trophy avontuur op zich van twee dagen...
Verder ga ik misschien nog naar Kratie. Daar zijn zeldzame zoetwater dolfijnen te zien. Ook is er een plaatsje in de buurt, waar de mensen gefrituurde vogelspinnen eten. Een gebruik wat is blijven hangen uit de tijd van de Rode Khmer. De mensen hadden toen bijna niets te eten en hielden zich met de spinnen in leven. Nu worden ze gekweekt in holen in de grond en beschouwd als delicatesse...
24-25 februari
Ik ben nu in Battambang. Het was weer een lekkere derde wereldreis van formaat. Vantevoren had ik gevraagd hoe lang de boot van Siem Reap naar Battambang erover zou doen. Drie tot vier uur maximaal zeiden ze. Toen we vertrokken ging alles goed. Precies om 7 uur 's ochtens voeren we weg en de reis ging langs een drijvende stad op het Tonle Sap meer en een vogelreservaat aan de monding van de Stung Sanker rivier. Ik heb enorm veel vogels gezien, waaronder kraanvogels, pelicanen, ibissen, witte reigers, een soort visarend en we hadden ontzettend veel geluk want we hebben ook de zeer zeldzame Sarus Crane gezien. Een enorme kraanvogel. We zagen er een paar in volle vlucht langs de boot. Het is 's werelds grootste vliegende vogel en een schitterend gezicht om zo in het wild te zien!
Toen we uiteindelijk op de Stung Sanker zelf voeren begon de ellende. Ik zag dat de bootchauffeur (zelfbouwboot met Toyotastuur..) op een gegeven moment iets opmerkte aan z'n stuurwiel. Hij draaide zich om naar z'n assistent achter op de boot (ik zat midscheeps) om hem iets duidelijk te maken. Ik zag dat we van koers afweken en op volle snelheid recht op een vissershut en zijn netten aanstuurden. Ik maakte hem dat met wijzen en roepen duidelijk en hij gooide bruusk z'n stuur om. Alleen, er gebeurde helemaal niets! De roerkabels waren losgeraakt en we waren stuurloos. Daarop gooide hij de oude dieselmotor met veel gekraak en lawaai vol in z'n achteruit. Iedereen aan boord zette zich schrap voor de botsing, maar we misten de visserhut rakelings en belandden in z'n netten. De kapitein sprong in het water om de kabels te repareren en na een half uurtje konden we weer door. De rest van de passagiers (Canadese vrijwilligers voor een project van Unicef) bedankten me en ik kreeg van! iedereen koekjes enzo aangeboden!
Er was alleen een probleempje. Het roer was weliswaar gerepareerd, maar de koppeling/versnellingsbak van de boot had zo zwaar op z'n tyfus gekregen dat hij begon te stinken en te roken. De assistent van de kapitein loste dat op door telkens natte lappen op het ding te gooien, maar de snelheid was er wel uit. De schroef was namelijk ook beschadigd en kwam vaak boven het water uit, waardoor we snelheid verloren en de motor doldraaide. Verder waren de roerkabels slechts provisorisch gerepareerd en dat bleek niet echt handig op de sterk meanderende Stung Sanker. We kwamen de bochten op een gegeven moment gewoon niet meer door en sturen werd nu gedaan door de assistent die met een lange bamboestok zichzelf (en dus de boot) afzette tegen de bodem en de oever.
Ik weet niet meer hoe vaak we zijn gestopt voor reparaties, maar we lagen meer stil dan dat we voeren. Verder konden de lokale vissers het niet echt waarderen dat de (stuurloze) boot zo dicht langs hun netten voer (die soms beschadigd werden door de boot) en lieten dat blijken door stenen naar ons te gooien vanaf de oever. Gelukkig waren we net te ver weg en raakten ze ons niet, maar aangenaam is anders. Ik had echt medelijden met onze kapitein en zijn assistent die telkens in de volle zon hopeloze reparaties moesten uitvoeren en uiterste moeite moesten doen om toch de boot de rivier over te krijgen. Het hielp daarbij ook niet echt dat de rivier heel erg laag stond vanwege het droge seizoen. Verder brandde de kapitein flink z'n voet aan de oververhitte koppeling en ik kon aan z'n gezicht zien dat hij het echt helemaal gehad had. Helemaal toen we nog meerdere keren vol in de begroeiing van de oever ramden en vast kwamen te zitten op een zandbank.
Dat gold ook voor de 20 passagiers van de boot, die net als ik niet op zo'n lange reis gerekend hadden en dan ook allemaal door hun water heen waren. Het was inmiddels al drie uur 's middags en we moesten nog een heel stuk. De kapitein had nog een paar reserve flessen water en die gingen heel de boot door zodat iedereen een paar slokken kon nemen. Verder had ik ook behoorlijke honger, aangezien ik voor het laatst om 5:30 's ochtends had gegeten. Sommige mensen begonnen dan ook koekjes te eten. Ik heb dat maar niet gedaan omdat ik weet dat je spijsvertering veel vloeistoffen aan je bloed onttrekt en daardoor de dorst nog erger maakt.
Uiteindelijk kwamen we pas rond een uur of zes aan. We hadden er bijna 11 uur over gedaan in plaats van de verwachte 3-4 uur. Ik ben eerst water gaan drinken en heb daarna een heel pak zoute noten naarbinnen lopen werken. Van het gulzige drinken kreeg ik natuurlijk gelijk buikpijn, maar dat kon me toen geen meter interesseren. Voortaan neem ik in dit land een karrenvracht water mee, want dit was echt geen leuke ervaring. In deze tropische hitte heb je ontzettend veel water nodig en ik moest het doen met anderhalve liter voor een hele dag. Not Funny!
25-27 februari
Dinsdagavond heb ik in een restaurant hier in Battambang een aardige Cambodjaanse gast ontmoet. Ik heb een tijdje met 'm zitten praten en hij vertelde me over z'n familie en het Cambodjaanse leven. Op een gegeven moment nodigde hij me uit om bij zijn familie thuis op bezoek te gaan. Ik dacht what the heck en ging met 'm mee achterop de motor. We reden een wat afgelegen buurt in, maar ik werd enorm hartelijk ontvangen door zijn familie. Hij woonde nog bij zijn schoonouders, want hij was aan het sparen voor een eigen huisje. De mensen waren arm en het huisje was naar onze maatstaven niet meer dan een stal. Toch was iedereen vriendelijk en probeerden me allerlei khmer (cambodjaanse) woorden te leren.
Jon werkte als motortaxichauffeur en we hadden afgesproken om de volgende dag een eindje te gaan toeren over het Cambodjaanse platteland. Dit werd een van de meest indrukwekkende tochten die ik ooit heb gemaakt.
's Ochtends rond een uur of acht vertrokken we op weg naar de landelijke gebieden ten zuiden van Battambang. We gingen eerst op bezoek bij zijn eigen familie in z'n geboortedorp. Wederom werd ik zeer hartelijk ontvangen en gelijk begonnen de mensen sinaasappels voor me te plukken en schillen. Jon liet me ook hun boomgaard zien. Ze hadden bananen-, mango-, papaya-, sinaasappel- en een soort perenbomen. Daarnaast verbouwden ze ook rijst en mais en in de bomen zaten nesten met enorme mieren, die gebruikt werden voor consumptie...
De mensen in deze regio zijn totaal niet gewend aan buitenlandse toeristen en vooral de kinderen vinden het fantastisch. Ze komen op je afgedromd op even een kijkje te nemen bij die rare witkop. Ik zat achterop bij Jon de hele dag een beetje terug te zwaaien en te lachen naar de mensen die langs de weg woonden. De kinderen willen je ook allemaal een hand komen geven en rennen dan hard terug naar hun moeder om enthousiast verhaal te doen van hetgeen de moeders zelf natuurlijk al lang gezien hadden. Deed ik dat vroeger ook ma?
Op een gegeven moment kwamen we uit bij een berg waar vroeger de Rode Khmer een Killing Field had. Ik kan eigenlijk beter zeggen een killing cave. Kogels waren te duur en de mensen kregen een klap in de nek, werden opgehangen (niet snel maar langzaam) of kregen een zak over hun hoofd. De lijken werden in een grot gedumpt, waar nu nog de wanden zwart zien van de oude bloedstromen. Onderaan liggen enorme bergen met botten, schedels en kleding die nog niet helemaal vergaan is. Jon vertelde me dat de Khmer Rouge de levers van de mensen voor consumptie gebruikte en dat de gal uigespreid werd op de grond om te drogen. Het poeder werd later verkocht aan de Chinezen, die er medicijnen van maakten. De gruwelijkheden gingen nog verder dan dat. Baby's en kinderen werden de lucht in gegooid en opgevangen op speren en messen. Ook werden ze bij de voeten gepakt en zo tegen de rotsen aan geslagen. Het is zo beestachtig dat het bijna onwerkelijk wordt, maar toch is het hier allemaal gebeurd! , van 1975 tot 1979.
Jon vertelde me dat hij zich de bevrijding door de Vietnamezen nog kon herinneren. Hij was toen een jaar of zes en zijn vader en enkele van zijn broers kwijtgeraakt in de genocide. Hij vertelde over tanks en geweren en dat de Rode Khmer de heuvels invluchtten en een guerillaoorlog begonnen tegen het Cambodjaanse staatsleger. Saillant detail is trouwens dat de Rode Khmer in die tijd financiele steun kregen van de VS, die het Vietnamese/Chinese communistische gevaar hiermee op een eenvoudige manier konden tegengaan (volgens de dominotheorie.) Zelfs vandaag de dag kennen de mensen van Cambodja nog geen genoegdoening, zijn de oorlogsmisdadigers nog steeds niet berecht en is de waarheid nog steeds niet boven water. Jon wist zelfs enkele van hen te wonen. In eerste intantie waren ze uit angst voor wraak naar Thailand gevlucht, maar wegens de aanwezigheid van de UN en een nieuwe politiek om mensenrechten te respecteren, kunnen ze nu ongestoord rondlopen in Cambodja. Een tribunaal zal er wel nooit komen aangezien de VS en China nou niet bepaald schone handen hebben in deze kwestie. Bovendien valt er geen olie te halen in Cambodja en is het dus niet interessant voor ons populaire Texaantje...
We zijn nog even een heuvel opgeklommen om de oude stellingen van het overheidsleger te bekijken. Een paar kilometer verderop was een andere heuvel waar de Rode Khmer vroeger zat. Jon vertelde me dat ze met de grote fieldguns granaten op elkaar afvuurden en dat deze regio de meeste mijnen kent van heel Cambodja. Soms zijn er dan ook demining teams van de UN of NGO's bezig om het land weer vrij te kunnen geven aan de boeren, maar iedere maand vallen er nog rond de 30 slachtoffers, waarvan ik de meest gruwelijke foto's heb gezien.
Het wapentuig op de heuvel is nog in een redelijk goede conditie (Duitse makelij he..) en volledig operationeel. De loop kan versteld worden en rondom liggen zelfs nog enkele ongebruikte granaten. Jon vertelde me dat het soms wel eens een probleem is wanneer de mensen hier de velden afbranden om een nieuw gewas te kunnen aanplanten. Er zijn gevallen bekend waarbij er plotseling een van de rondslingerende granaten ontploft. Soms vallen hier ook slachtoffers bij.
Ik heb nog even met het wapentuig gespeeld en ook een filmpje gemaakt van Jon, die de loop verstelt om de Rode Khmer op de heuvel in de verte te kunnen bestoken.
Na Phnom Sampeau zijn we doorgereden naar Wat Banang. Een oude tempel uit de 10 eeuw. Jon vertelde me allerlei Cambodjaanse legendes, die vaak een Indiase oorsprong hebben. Een van de verhalen ging over een man die alles kwijt was geraakt en naar de lokale brug ging om er een eind aan te maken. Bij de brug zag hij een man zonder armen, die vrolijk aan het dansen was. Hij dacht toen bij zichzelf; die man heeft geen armen en toch is hij gelukkig? Hij bedacht zich, wilde niet meer van de brug afspringen en liep op de man af. Hij vroeg waarom hij zo stond te dansen, terwijl hij geen armen meer had. De man antwoordde; Dansen? Ik ben net in een mierennest gaan zitten en ik kan m'n kont niet krabben! Mmmm..., de rest van de legendes zijn wel serieus hoor.
Op de terugweg zijn we langs de rivier gereden. Overal waren de mensen de was aan het doen en aan het baden. Ik heb ook nog filmpjes gemaakt van een hanengevecht, een populair tijdsverdrijf op het platteland hier.
Op een gegeven moment kwamen bij uit bij spoorrails en Jon vertelde me dat we hier de trein zouden gaan nemen. De trein? Die komt hier toch maar eens in de twee dagen langs? Ja de gewone trein, maar wij nemen de funny train zei Jon. Prompt werden er twee assen op de rails gepleurd, daarop werd een bamboe platform gelegd en de grasmaaiermotor op het 'vlot' werd met een simpele riem verbonden met een van de assen. Starten en gaan! Ik heb nog een filmpje van het debiele ding gemaakt. Jon vertelde me dat er soms slangen de rails overstaken en die werden dan door de wielen in twee stukjes gesneden. Verder moesten we af en toe hard roepen en in onze handen klappen om de honden op tijd van de rails te verjagen. Het platform lag los op de assen en met een snelheid van een kilometer op 40-50 in het uur is dat niet echt een geruststellende gedachte. Jon zei nog: little dog no problem, but big dog...
Terug in Battamang heb ik Jon nog geleerd hoe hij email moest gebruiken. Hij zei vantevoren dat hij wel wat afwist van computers, maar dat was een beetje erg optimistisch, want hij gebruikte de muis op dezelfde manier als Wim Kok... Na een uurtje had hij de basispincipes wel door (ze zijn hier super leergierig) en had hij z'n eigen emailadres. Nou nog een computer en ohja, elektriciteit in huis is ook wel handig...
2 Maart 2003
Ik ben nu in Phnom Penh, de hoofdstad van Cambodja. Na een paar dagen ben ik erachter dat dit toch niet echt mijn stad is. Na tien uur 's avonds kent Den Hout nog meer actie dan deze hoofdstad! Lichtelijk crisis dus. Net zoals de reis van Battambang naar Phnom Penh trouwens. De weg (voor zover je het een weg kunt noemen) bestond uit een en al kuilen, gaten en andere bomkraters, waar de chauffeur met zijn minibusje handig tussendoor moest zien te wringen. De reis zou volgens opgave een uurtje of vier/vijf moeten duren, maar natuurlijk werden het er weer negen. Het begint vaste prik te worden...
Onderweg hebben we nog een hond doodgereden. Het beest bleef midden op de weg staan ondanks luid tuuteren door de chauffeur. Cambodja is nou niet bepaald een land waar de chauffeurs dan op de rem trappen. Nee hoor, vol erover heen. Ik keek achterom en zag het beest over de weg rollen. Bij ons krijgtie Bonzo, hier een trap na. Geen land voor dierenliefhebbers...
Ik zat samen met een aardige Francaise en een zeer vriendelijke Cambodjaan in het busje. De Cambodjaan sprak zeer goed Engels en vertelde me vanalles over het gebied waar we doorheen reden. Op een gegeven moment stopten we om te eten. De Cambodjaan bood ons allerlei wazig fruit aan waarvan ik de naam allang weer vergeten ben. Een vrucht leek op een soort melkachtige appel. Als je op het vruchtvlees duwde kwam er witachtig sap uit. De smaak/textuur deed me een beetje denken aan Spaanse vijgen. Verder heb ik knoppen van een Lotusbloem gegeten, maar dat had ik beter niet kunnen doen, want die krengen lagen nogal zwaar op de maag. Toen we weer onderweg waren moest ik dan ook vragen om het busje te laten stoppen om effekes een sanitaire stop te maken. De Cambodjaan was hier zeer handig bij en fungeerde als tolk. Het was wel afzien want ik moest telkens wachten totdat er weer een dorpje/wegrestaurantje in zicht was. Aangezien er altijd het gevaar van landmijnen bestaat kun je hier! beter niet in de bosjes gaan. En midden op de weg vind ik ook zowat. Dan krijg je van die lokale toeristen met een houding van: 'Hee wat een rare witte reet daar, eens even kijken hoe dat allemaal bij een blanke in z'n werk gaat....'
Overdag is het hier in Phnom Penh wel goed te doen. De stad kent lang niet zoveel drukte en verkeer (en stank) als bijvoorbeeld Bangkok. Ook valt er behoorlijk wat te zien. Zo ben ik gisteren naar Psar Thmei geweest; een grote overdekte markt in Art Deco stijl. Werkelijk alles werd daar verkocht. Supermarkten kennen ze hier niet, (net zomin als MacDonaldsen, BurgerKings en Kentucky Fried Chickens. Geen fastfood! Volgens mij een van de weinige landen in de wereld waar deze ketens nog niet doorgedrongen zijn. Er waren trouwens wel een paar lokale na-apers met de namen Khmer Fried Chicken, Pizza Hot en Burger Queen, maar die hebben allemaal hun deuren moeten sluiten.) dus de mensen halen alles van de markt. Het is een echt doolhof en je kunt op de vers-voedsel afdeling behoorlijk mooie foto's maken.
Later op de dag heb ik het Nationale museum, het Koninklijke Paleis (zie ook het filmpje) en de Silver Pagoda bezocht. Vooral de zilveren pagode is schitterend, ik mocht er jammergenoeg alleen geen foto's maken. De vloer van de pagode is helemaal bedekt met zilveren tegels en overal staan boeddabeelden die met diamanten ingelegd zijn. Verder zijn er binnen deze muren nog veel beelden te zien, die de tijd van de Khmer Rouge overleefd hebben. De Khmer sloopten namelijk zeer veel van het oude Khmer cultuurgoed.
Vandaag heb ik het Tuol Sleng Museum bezocht. Deze voormalige school is ook wel bekend onder de naam S-21 en was een geheime gevangenis waar 'politieke vijanden' van het Rode Khmer regime werden gemarteld. De rillingen lopen je over de rug wanneer je daar rondloopt. In de voormalige klaslokalen waren met bakstenen aparte cellen gebouwd waarin de gevangenen gehuisd werden. In de wanden tussen de lokalen zaten gaten die samen een soort gang vormden. De aparte cellen waren niet groter dan 80 bij 150 cm. De gevangen hadden geen enkele rechten en moesten zelfs toestemming vragen aan de sadistische bewakers om een andere slaappostie aan te nemen. Wanneer de gevangen gemarteld werden (met een tang de nagels uitttrekken, elektrische schokken en stokslagen) dan was het verboden om het uit te schreeuwen. Wie dat toch deed kreeg extra te verduren, vaak totdat de dood erop volgde. Nadat de 'vijanden' hun informatie aan de bewakers prijsgegeven hadden, werden ze naar de Killing Fields ge! bracht waar ze (om kogels te sparen) met een nekslag gedood werden. Bijna alle gevangen waren onschuldige burgers die slachtoffer werden van het zeer paranoide schrikbewind van Pol Pot. Ter illustratie; de bewakers in het eerste jaar werden later zelf het slachtoffer en de generatie na hen ook weer. Het is ongelooflijk dat de moordenaars (voormalige leiders) nu nog gewoon vrij rondlopen. Net zoals de Nazi's hielden de Rode Khmer uitgebreide verslagen en foto's bij van iedere gevangene. De mensen werden gefotografeerd voor en na de martelpraktijken en deze foto's zijn nu te zien in het museum. Van de 17000 mensen die in s-21 zaten, hebben het er slechts zeven overleefd. Zij waren de laatste in de rij om vermoord te worden toen de Vietnamezen Phnom Penh bevrijdden in 1979.
Morgen vertrek ik uit Phnom Pen om naar Sihanoukville te gaan. Eens kijken of ik daar wat vrolijker kan worden, want vandaag was het een behoorlijk deprimerende ervaring.
7 Maart 2003
Morgen vertrek ik weer richting Phnom Penh. Het waren een paar zonnige dagen hier in Sihanoukville en ik heb het lekker rustig aan gedaan. Ik heb een kamer genomen in het Savannah Phoum Guesthouse en dat bleek een uitstekende keuze. Ik heb een mooie kamer met televisie en ze komen elke dag m'n bed opdekken, de badkamer schoonmaken en m'n spullen ordenen (da's ook hard nodig af en toe...) Ik had gisteren de was gedaan en opgehangen en ik kwam vandaag terug van een dagje biken om mijn wasgoed netjes opgevouwen op mijn bed aan te treffen! Goede service daar en dat voor maar 6 Dollar per dag!
Voor woensdag had ik een snorkeltocht geboekt bij EcoTours. Dat is een organisatie opgericht door twee Australiers die ecologisch verantwoorde duik- en snorkeltochten organiseren. 's Ochtends vroeg werd ik opgehaald bij m'n guesthouse en vertrokken we met een groepje (twee Australiers, een Amerikaan en een Tjech) naar de pier. De chauffeur was zo'n lekker plat pratende humoristische Australier met een enorme bierbuik. You wanna have a wetsuit? I'm already wearing mine! Daarbij gemoedelijk op z'n pens kloppend..
We vertrokken met een omgebouwde vissersboot richting het eerste eilandje en gingen bij het zogenaamde 'Elvis-beach' voor anker liggen. Eerst kreeg ik nog wat uitleg hoe ik het beste m'n oren kon klaren tijdens het duiken en toen zwom ik zo naar een voet of dertig (hoeveel meter is dat? Rare imperialisten...)
De onderwaterwereld was echt schitterend. Ik had al wat gesnorkeld in Thailand, maar dit was veel mooier. Het koraal is niet aangetast door visnetten en ankers en het stikte er van de tropische vissen. Het leek gewoon net of ik door een tropisch aquarium heenzwom. Ik heb zelfs veel zacht koraal gezien. De eerste keer voor mij. Het zeewater was 29 graden, dus je kon zo lang in het water blijven als je wilde. Ik heb allerlei soorten vissen gezien. Baracuda's, maanvissen, groupers, lipvissen, parrotfish en een soort zeeduivels. Die liggen stilletjes voor de kust, zwaar gecamoufleerd en loeren op alles wat voorbij komt zwemmen. Je bent behoorlijk genaaid als je erop gaat staan, want ze hebben zeer pijnlijke stekels op hun rug.
Op een gegeven moment was ik dicht bij een eilandje aangekomen en ben ik een kijkje gaan nemen op het strand. In de Lonely Planet staat: Vergeet het ideaal van de film 'The Beach' in Thailand, dat land kent daarvoor al teveel toerisme, maar 'The Beach' zou best wel eens in Cambodja te vinden kunnen zijn. Volgens mij hebben ze gelijk, want ik liep het strand op en belandde in het paradijs. De stilte werd alleen doorbroken door het zachte kabbelen van de zee en de schrille kreten van enkele vogels die veel weghadden van Ijsvogels. Ze hadden een felwit lijf met glimmende diepblauwe vleugels en gingen me op een afstandje zitten begluren. Ik baalde enorm dat ik m'n camera niet bij me had, maar ja, het ding is nu eenmaal niet waterdicht.
Het strand was helder wit en het zand piepte onder m'n voeten van versheid. Ik ging op een rots zitten en kon in het heldere water zo de gekleurde vissen voorbij zien zwemmen. Ik ben de jungle niet ingelopen, want die was ondoordringbaar, maar er kwamen de meest mysterieuze en ritselende oerwoudgeluiden uit voort. Als je van natuur houdt, dan moet je zeker eens naar een van deze eilandjes toekomen. Je zult niet teleurgesteld worden! Na een hele dag snorkelen rond verschillende eilandjes voeren we weer terug naar Sihanoukville. Het tripje kostte me 20 Dollar alles inclusief en het was elke cent waard.
Ik ga hier elke dag eten in een klein restaurantje dat gerund wordt door een lokale familie. Het is daar altijd feest en in de keuken rennen pa en ma elkaar plagend achterna. Het zijn net kinderen, maar reuze gezellig. Ik krijg ook altijd iets van het huis. Een tukalok bijvoorbeeld. Dat is een soort fruitshake met banaan en dergelijke. Ze pleuren er ook een rauw ei doorheen en dat is eigenlijk niet te best (i.v.m. salmonella), maar ja die dingen smaken fantastisch, dus ik laat ze zeker niet staan!
Gisteravond zat ik ook weer in dat restaurantje en toen kwam er een aardige Cambodjaan bij me aan tafel zitten. Hij wachtte in Sihanoukville op z'n vrienden die pas in het weekend zouden komen. We hebben samen gegeten en daarna zijn we op z'n crossmotor gesprongen om ergens een biertje te gaan drinken. Wat later op de avond vroeg ik hem hoe hij aan het geld kwam voor zijn crossmotor en een vakantie in Sihanoukville. Hij vertelde me dat hij een smokkelaar was. Hij smokkelde schoenen (!) de grens met Thailand over zodat er geen importheffingen betaald hoefden te worden. Het was gevaarlijk werk, want de grensstrook met Thailand ligt bezaaid met landmijnen, maar hij wist een redelijk veilig pad. Verder organiseerde hij ook tochten voor toeristen die willen crossen over Cambodja's meest dramatische wegen (dan hoef je niet lang te zoeken trouwens...) We hebben een paar pilsjes gedaan en toen zijn we ieder terug naar ons guesthouse gegaan.
Vanochtend vroeg ben ik op de motor gesprongen (kostte me maar 4 Dollar voor 24 uur huren..) en ben ik lekker een stukje gaan karren. Eerst ben ik naar Kbal Chhay geweest. Dat is zeg maar de Cambodjaanse Warande, maar dan in de natuur met overal watervallen. Het stikte er van de Cambodjanen die lekker aan het pootje baden waren. Ik heb er een paar foto's gemaakt en toen ben ik 'm gepeerd richting Riem National Park. Ik kwam bij een rangerspost aan en daar kon ik een boot het park innemen. Daar had ik niet zo'n zin in (was behoorlijk duur) en daarom ben ik er maar met de motor ingereden. Wederom schitterende natuur. Ik heb verschillende soorten havikken en arenden gezien en na een tijdje dirt-biken kwam ik aan de andere kant van het park bij het strand uit. Op een inheemse visser na, geen ziel te bekennen en er zijn de meest schitterende maagdelijke stranden te vinden. Ik kwam uit bij de monding van een rivier die overging in een woud van mangroves. De mangrovewouden vormen de kraamkamer van veel vissoorten en overal was dan ook gespartel te zien. Ik heb er m'n ogen uitgekeken en toen ben ik terug gereden naar het plaatsje Riem om wat te eten.
Ik ben bij het eerst beste restaurantje gestopt wat ik vinden kon en plofte er neer in een hangmat. Er was nog een andere 'blanke' daar; hij kwam uit Finland. Ik wilde wat te eten bestellen, maar prompt werden de Fin en ik uitgenodigd door een groepje Cambodjanen om mee te eten. Nou okee dan! We aten zeer grote garnalen en krabbepoten, die in de superlekkere marinades bereid waren. Ik heb dan ook echt zitten smullen. De Cambodjanen werkten voor het ministerie van Toerisme in Cambodja en gaven trainingen in Hospitality! Nou en gastvrij waren ze. Het was het beste maal wat ik sinds tijden gegeten heb!
8-11 maart
Zo ik ben weer terug in Phnom Penh en ik moet zeggen dat ik de eerste keer dat ik hier was behoorlijk onterecht negatief ben geweest over deze stad. Ik wist de goeie spots gewoon niet te vinden!
Zondagavond bijvoorbeeld. Ik liep mijn eigen wijk uit (die om 10 's avonds behoorlijk doods is) om te gaan eten in een restaurant genaamd Friends. Het restaurant is opgezet als project waarbij de straatkinderen van Phnom Penh een kans wordt gegeven om zich normaal te kunnen ontwikkelen. De kinderen werken er als ober, kok en gastheer, maar in een ander gedeelte worden ook lessen gegeven in metselen, lassen, kledingmaken, werktuigbouwkunde en noem maar op. Als je er gaat eten betaal je een hogere prijs dan in een gewoon restaurant en de extra opbrengst gaat naar de straatkinderen.
Ik was blij dat ze een uitgebreide menukaart hadden die niet zou misstaan in een redelijk chique Nederlands restaurant. Zo had ik als voorafje een heerlijke mediterrane salade, daarna een soort kebabstokjes met aubergines en overgoten door een saus met sesamzaadjes. Heel goed te eten! Het volgende gerecht was een fantastische traditonele Khmer curry en als dessert had ik gecarameliseerde verse ananas met vanille-ijs. Dit alles lekker weggespoeld met een mango/ananas milkshake en de rekening bedroeg maar liefst 7 Euro! Niet te geloven, voor dat bedrag help je dus ook nog de kinderen! Wel heerlijk dat ik een keertje geen rijst op mijn bord aantrof. Ik kan onderhand geen rijstkorrel meer zien.
Het restaurant was ook smaakvol ingericht. Comfortabel koloniale stijl meubilair, de muren in pastelkleuren geschilderd, dieprode gordijnen, overal kunstwerken en een lekker loungy muziekje op de achtergrond. Verder was de personeel/gast ratio 2:1 (no kidding!) Ik had twee obers voor mezelf, waarbij er altijd eentje gedienstig bij de tafel bleef staan. Ik voelde me er net zo'n koloniale gouverneur...
Stel je voor dat je hier (of in Thailand, Vietnam, Laos) slechts voor een paar weken op vakantie bent. Je kan dan iedere avond zeer luxe dineren waar je in Nederland amper voor bij de Mac kan eten!
Na het eten ben ik een stukje gaan lopen langs de rivier. Het leek wel Amsterdam tijdens Koninginnedag daar. Het stikte er van de mensen er overal waren kleine kraampjes, muzikanten en Cambodjaanse jongelui die (in mijn ogen) nogal blije schoolpleinachtige spelletjes aan het doen waren. Wel leuk om van een afstandje te volgen...
Verder bestaat er in Phnom Penh ook een uitgebreide bar en nachtclubscene. Gelukkig zijn hier de zogenaamde beergirls gemakkelijk te vermijden. Beergirls zijn meisjes die een bepaald biermerk vertegenwoordigen in een bar. Als je binnenkomt komen er gelijk 10 op je afgerend om je bestelling maar vooral bij hun merk te plaatsen. Als je eenmaal een merk hebt uitgekozen komen ze naast je zitten en vullen onderhand na elke slok die je neemt je glas bij. Dat lijkt wel leuk, maar als je gezellig met iemand zit te ouwehoeren en er hangt heel de tijd zo'n muts naast je, dan is dat niet echt ontspannen uitgaan. Hier in Phnom Penh heb je ook gewoon Westerse bars (dus niet van die duistere Cambodjaanse Karaokeholen), waar je geen last van die wijven hebt.
Gisteravond ben ik bijvoorbeeld naar een bar geweest met de sinistere naam; Heart Of Darkness. Om er te komen moest ik een kwartiertje door nachtelijk Phnom Penh lopen. Niet echt de meest rustgevende wandeling. Af en toe over een zwerver stappend, achtervolgd door bedelende lijmsnuivertjes met grote wanhopige ogen en af en toe benaderd door pooiers kwam ik stug doorlopend bij The Heart aan. Dat was een schitterend vormgegeven bar, die in Nederland een zeer exclusief publiek zou trekken. Ik ging er aan de bar zitten en gelijk begon er een of andere Brit tegen me aan te lullen. De bar stikte van de zogenaamde expats. Dat zijn westerlingen die voor NGO's of grote bedrijven werken en daarvoor tijdelijk in het buitenland wonen. De Brit werkte voor een grote bank in Thailand en was database-admin. Ik zei nog tegen hem: Sybase of Oracle? en hij viel bijna van z'n stoel van verbazing. Never expected to hear those words in the middle of Cambodia! Hij was pas net in Phnom Penh en maakte zich een beetje zorgen om z'n veiligheid op straat. Hij had daarom afgesproken met een motordriver zodat deze op hem zou wachten bij de ingang. Ik vroeg nog aan hem hoeveel hij daarvoor betaalde. Hij zei dat hij de chauffeur 50 Dollar beloofd had en of dat wel genoeg was. Ik vertelde hem dat de chauffeur daar desnoods twee weken voor op de drempel zou blijven camperen en dat 50 Dollar anderhalf maandloon voor een Cambodjaan is...
Even later ontmoette ik een Ier genaamd Karl en een Engelse genaamd Jane. De Ier werkte als documentairemaker voor Sky TV en deed ook promotiereportages voor de vele NGO's in Cambodja. Ik heb nog een paar biertjes met 'm gedronken en ik ben later met 'm meegereden terug naar m'n guesthouse. Hij moest toch die kant op en het scheelde mij weer een hachelijke nachtwandeling door duister Phnom Penh. Karl is een relaxte gast uit Dublin en voor vanavond heb ik weer afgesproken met hem en Jane in de Heart of Darkness.
Contact leggen gaat hier heel gemakkelijk trouwens. Als ik ga eten, dan kies ik een druk tijdstip uit waarop alle tafels vol zijn. Ik vraag dan aan de eerste de beste persoon die alleen zit te eten of ik bij hem/haar aan tafel kan komen zitten en dat staat bijna altijd garant voor een gezellig diner. Daarnet bijvoorbeeld heb ik nog bij een psycholoog uit Brisbane Australie aan tafel gezeten. Een aardige vent, die al veel gereist en dus ook veel te vertellen had.
Het verkeer is hier een andere uidaging. Vooral als voetganger zijnde. Ze hebben hier weliswaar verkeerlichten en soms zitten er zelfs lampen in, maar niemand let op die dingen. Op een kruispunt onstaat dan ook vaak een lekkere chaotische situatie. Mensen die op een drukke straat linkaf willen slaan (ze rijden hier ook rechts) moeten zich eerst een weg door twee rijen dik auto's en vijf tot tien rijen dik motoren heen zien te banen. De algemene methode is om gewoon aan de linkerkant van de weg te gaan spookrijden, hierbij de totale weg voor de andere kant te blokkeren en dan via de binnenbocht van de zijstraat alles wat oversteekt of rechtdoor wil af te snijden.
Toch gebeuren er ondanks enige vorm van verkeersregels verbazingwekkend weinig ongevallen (de enige regel die geldt is dat het grootste voertuig altijd voorrang heeft...) Iedereen weet dat niemand zich aan enige vorm van regels houdt en dat niemand verzekering heeft, dus de mensen rijden hier zeer rustig in het drukke verkeer. Oversteken blijf een uitdaging, waar je niet moet gaan wachten op een gaatje (komt nooit), maar waarbij je gewoon tussen de auto's en motoren door laveert. Vingers gekruist en flink doorlopen! Ik zal nog wel eens een oversteekfilmpje proberen te maken.
Vanmiddag was er trouwens wel een klein ongeluk gebeurd op de boulevard vlakbij mijn guesthouse. Ik liep er langs en bleef even kijken. Toen ik weer doorliep lette ik even niet goed op. Ik liep met een volle anderhalve literfles water in m'n hand te slingeren en keek nog steeds naar de plek van het ongeval. Opeens botste ik tegen iemand aan en ramde met de fles water vol tussen zijn benen. Ik keek om en zag een Cambodjaanse motoragent verongelijkt naar z'n klokkenspel grijpen. Oeps..., sorry! Ik ben maar snel doorgelopen...
Vertrek uit Phom Penh 13 maart
Ik ben 's ochtends vroeg opgestaan om de boot van 7:00 uur richting Kratie te pakken. De boot was voor de verandering eens een keertje comfortabel en aangezien er maar weinig toeristen deze route volgen hoefde ik ook geen speciale 'foreigner price' te betalen. De Mekong is een enorm brede rivier en de boot kon dan ook goed vaart maken. Af en toe leek het eerder een meer dan een rivier waar we over voeren.
Onderweg ontmoette ik Michael Cligg, een Brit uit de Midlands. Hij reisde ook in z'n eentje rond en was op weg naar Laos. In Kratie aangekomen hebben we samen een kamer gedeeld in het Star Guesthouse. Michael wilde net als ik ook een poging gaan wagen om de zeldzame Irrawaddy zoetwater dolfijnen te gaan spotten. We hebben 2 motoren met chauffeur gehuurd en zijn op weg gegaan naar het stuk rivier waar de dolfijnen meestal zitten. Daar aangekomen hebben we een bootje gehuurd en zijn de rivier opgegaan. De schipper gebruikte gelukkig de motor niet, maar benutte in plaats daarvan de stroming om de boot naar de goede plek te manouvreren. In heel Cambodja zitten er nog maar een stuk of 60 dolfijnen, ze zijn bijna uitgestorven. Dat is heel jammer want het zijn schitterende beesten om te zien. Het stuk rivier waar ze in zwommen was gelardeerd met kleine overwoekerde eilandjes. Ondanks dat de Irrawaddy's zeer schuw waren kon je ze toch goed spotten. We hebben er een stuk of 15 gezien. Je moest vooral je oren goed de kost geven, want een groepje was te herkennen aan het opspuitende water uit het gat bovenaan hun lichaam. Ik heb ze nog proberen te fotograferen, maar ik betwijfel of dit gelukt is. De schuwe dolfijnen hielden namelijk minimaal een meter of 20/30 afstand en kwamen alleen boven om even te ademen. Gokken dus waar ze bovenkomen en de camera in de sportstand, waar deze 3 foto's per seconde maakt. Ik hoop maar dat er tenminste eentje van gelukt is.
Weer terug bij het guesthouse ging Michael even douchen en z'n armen en benen insmeren met after sun. Hij was namelijk flink verbrand. Een klassieke fout. Midden op de dag op het bootdek gaan zitten; door de koelte van de wind voel je de kracht van de zon niet. Verder had hij net malaria gehad en het medicijn doxycycline maakt je photosensitive, dus extra gevoelig voor zonlicht.
Ik was ondertussen Kratie ingelopen om de zonsondergang boven de machtige Mekong te fotograferen. Bij de rivier aangekomen raakte ik aan de praat met twee Cambodjaanse jongens die hun Engels op mij wilden uitproberen. Na een tijdje vroeg een van de jongens of ik geen les wilde komen geven bij hem op school? Mij best, zei ik. Maar ik weet iemand die het beter kan dan ik! Hoppa, achterop de motor en wij naar het Star Guesthouse om Michael onder zijn scheerschuim vandaan te trekken. We're gonna be teachers tonight, so hurry up! Michael zag de humor er ook wel van in en tien minuten later gingen we met z'n vieren op de motor naar school.
Daar aangekomen ontstond er natuurlijk wat hilariteit onder de studenten, maar op school was het beleid, dat als er iemand een 'foreigner' sprak, hij diegene dan moest vragen om les te komen geven. De klas werd opgedeeld in twee groepen en de aanwezige leraar gaf een beetje sturing aan het geheel en spoorde zijn studenten aan om allerlei vragen op ons af te vuren. In mijn groep zat ook een Buddhistische monnik die net zoals de rest van de groep zeer leergierig was. Heel het land wekt die indruk trouwens. Iedereen is hier bezig om zoveel mogelijk talen te leren en ze willen van alles weten over Nederland, Europa, maar ook Thailand, want de meeste Cambodjanen zijn nog nooit over de grens geweest. Ik denk dat die leergierigheid een soort reactie op het voormalige regime van Pol Pot is. Destijds werden alle ontwikkelde mensen als vijanden van de revolutie gezien. Schoolleraren, artsen, wetenschappers, monniken enzovoort werden sytematisch uit de weg geruimd in de Killing Fields. Het land heeft nu een behoorlijke inhaalslag te maken.
Na anderhalf uur les begon een van mijn studenten een beetje moeilijk te kijken. De leraar was al weggegaan want hij had een afspraak. Ik vroeg de jongen wat er scheelde en hij vertelde dat hij naar een bruiloft moest en of hij de les mocht verlaten. Haha, ik werd echt beschouwd als de meester daar. Pas als ik toestemming verleende mochten ze de klas verlaten. We lachen om eens een keer leraartje te spelen!
Na school zijn we wat gaan eten en er kwam een ontzettend irritante bezopen Amerikaan bij ons aan tafel zitten. Michael en ik hebben 'm systematisch af lopen zeiken zonder dat hij het zelf in de gaten had. Wel grappig, want het Engelse en Nederlandse gevoel voor humor is te subtiel voor die schreeuwers; Michael en ik begrepen elkaar perfect!
De volgende dag zijn we over een schitterend stuk Mekong naar Stung Treng doorgereist. In het plaatsje aangekomen hebben we weer een kamer gedeeld; met televisie zodat we even konden kijken of het al oorlog was. De volgende dag is Michael doorgereist naar Laos en ben ik met een 4WD een Camel Trophy tocht begonnen naar Ban Lung. Bij me in de wagen zaten 2 Duitsers. Ze zeiden tegen me dat ik de eerste Nederlander was die ze tegenkwamen en ze vroegen of Holländer überhaupt nicht soviel reisen? Ik gaf ze een cryptisch antwoord door te zeggen dat als ik Engelsen of Australiers tegenkwam, die altijd zeiden dat ze juist zoveel Nederlanders tegenkwamen. Ze begrepen de hint…
15 - 18 Maart, Ban Lung
Na een uurtje of vier vijf schraalgebutst te zijn kwamen we aan in Dustcity Ban Lung. Er hangt daar een continue mist van rood stof en het spul komt overal. Zelfs mijn hotelkamer is vanbinnen rood gekleurd. Ik heb de eerste dag een beetje rond het hotel gehangen en heb de dag erna een motor gehuurd om de omgeving te verkennen. Met een rugzak vol water, kaarten en een half ziekenhuis aan medisch spul ben ik erop uitgetrokken. Ik heb eerst een vulkanisch meer midden in de jungle bezocht (zie ook http://www.geocities.com/yeak_laom/lake.html ) Het water is er superhelder en je kan er zo naar een diepte van wel 5 meter kijken. Ik ben het hele meer rondgelopen en heb schitterend gekleurde tropische vogels en vlinders gezien. Ratanakiri province is een populair gebied voor ornithologen (vogelliefhebbers) en ik ben er ook eentje tegengekomen die mij uitnodigde voor een bak Vietnamese koffie. Ik heb van hem ook het bovenstaande internetadres gekregen. Zijn naam is Walter Hemingway en hij wist zeer veel over de regio te vertellen. Zo wist hij bijvoorbeeld dat er net een groep met Vietnamveteranen geland was in Ban lung om in de jungle op expeditie te gaan. Ze gingen sporen zoeken van hun oude kameraden die tijdens Amerika's geheime oorlog in Laos en Cambodja missing in action waren. Amerika bombardeerde destijds in het geheim het oosten van Laos en Cambodja om de Vietcong en NVA te treffen die over de grens gestationeerd waren. De Amerikaande piloten vlogen in burgerkledij en hadden geen echte militaire vliegtuigen ter beschikking, waardoor ze samen met de tunnelratten in Chu Chi een van de hoogste casualty rates hadden van de hele Vietnamoorlog. Walter moest lachen om het doel van de expeditie. Hij vertelde dat de lokale inheemse bergvolkeren de neergestorte zooi en de dogtags allang gebruikt hadden om gereedschappen en landbouwwerktuigen van te maken!
Na Yeak Laom ben ik doorgereden naar Chaa Ong, een mooie waterval midden in de jungle. Ik heb er nog een filmpje van gemaakt. De rest van de dag heb ik nog wat andere watervallen bezocht en op een gegeven moment ben ik impulsief een klein pad opgeschoten en heb dat enkele kilometers gevolgd. Op een gegeven moment kwam ik uit bij een riviertje waar de lokale vrouwen de was aan het doen waren. De inheemse vrouwen hier doen dat zonder bovenkleding aan en toonden hierover tegenover mij geen enkele schaamte. Ik heb me even opgefrist en ben er gauw weer vandoor gegaan toen oma eraan kwam met tieten tot op haar knieen…
De volgende dag heb ik de motor weer gepakt en ben helemaal naar Voen Sai gestuiterd. Het is ongeveer 35 kilometer over een zeer stoffig off road pad en je bent dan ook echt gebroken als je aankomt. Ik heb eerst de lokale markt bezocht waar allerlei dieren uit de jungle aangeboden werden. In een kooitje zaten een soort duiven, maar dan in allerlei kleurschakeringen. Onzettend mooie vogels om te zien. Komt er een klant aan. De verkoopster pakt er een paar uit de rieten mand en begint ze zo levend te plukken, tot er alleen nog maar zielige kale lijfjes over zijn. Hoppa in een plastic zak en thuis de soep in. Ook kwam er een jochie aanfietsen die een beest gevangen en gedood had wat ik nog niet eens kende. Het leek me een soort luiaard, maar ik heb het dier nog nooit eerder gezien. Ik hoorde gepiep onder in de plastic zak. Het jochie pakte er twee jongen uit en plaatste ze op zijn stuur. Piepend kropen de ten dode opgeschreven beestjes rond. Eentje viel er van het stuur af op de grond. Toen had ik wel weer genoeg gezien van deze markt en ben ik ergens wat gaan eten.
In een restaurantje kwam ik de twee Duitsers weer tegen. Ze waren met twee gidsen met de motor op pad en vertelden me dat ze naar de Chunchiet Cemeteries waren geweest. Om er te komen had je een boot nodig zeiden ze. Kost je tien Dollar en je moet er een uurtje voor varen. Daar had ik geen zin en ik vroeg aan hun gidsen of je er ook naartoe kon met de motor. No, don't know, not possible…. Ik zag aan hun ogen dat ze logen en ik vroeg aan de Duitsers in het Duits welke richting het op was, wat de naam van het dorp was en zei dat ik over de weg ging proberen. Met tien minuten over een goede weg was ik er. Ik heb er even rondgekeken en wat foto's gemaakt. Hierbij werd ik rondgeleid door een lokale jongen die en klein beetje Engels sprak. De mensen begraven hier hun doden in een soort huisjes en plaatsen daarbij allerlei kunstwerken en houten beelden die de overledenen moeten voorstellen. Ik heb de jongen 2000 riel gegeven en ben weer terug naar Voen Sai gereden om te proberen een Ranger te regelen voor een oerwoudtocht. Er was alleen niemand in het station aanwezig. Ik heb het later op de dag nogmaals geprobeerd, maar er was nog steeds niemand te bekennen. Toen ben ik maar weer terug gereden naar Ban Lung waar ik in m'n hotel de 2 Duitsers weer tegenkwam. Ik vertelde ze dat ik heel gemakkelijk met de motor naar de Cemeteries gereden was. Over de zeik dat ze waren! Hahaha, echt lachen.
Die avond vertelde ik aan de hotelmanager dat ik geen Ranger kon vinden. Hij zei dat ze vanuit het hotel ook tochten naar de dorpjes en de jungle organiseerden, maar het was een overduidelijke 'programma tocht' met die minuut doen we dit en vervolgens doen we dat. Daar had ik helemaal geen zin in. Hij vertelde me dat hij een Ranger kende en hij zou 'm voor me proberen te bellen. Zo gezegd zogedaan. De volgende dag zat ik met een Ranger genaamd Phat om de tafel. Ik vertelde hem dat ik een jungletocht wilde maken en het kwam hem wel goed uit want hij stond op het punt te vertrekken naar een voor hem ook onbekend stuk park (alleen dat hoorde ik later pas toen we al onderweg waren…) We hebben onderhandeld over de prijs en voor 15 Dollar per dag ging hij met me op pad. We spraken af voor de volgende dag zodat hij tijd genoeg had om een boot en alle supplies te regelen.
Die middag ben ik nog even met een van de twee Duitsers een eind gaan lopen. Hij was fotograaf en deed een serie over mensen die op het land aan het werk zijn. Hij had een hele tas vol met lenzen en camera's. Schitterende apparatuur. Hij heeft me nog het een en ander uitgelegd over fotografie en onderweg hebben we nog wat dorpelingen gefotografeerd.
19 maart, Virachay National Park
Geen probleem, ik leef nog steeds. Op het moment zit ik met m'n oor aan de wereldontvanger gekluisterd. Het is spannend want over een paar uur verstrijkt het ultimatum van de Amerikanen en de Britten. Paht, mijn gids, draait aan de knopjes en ik hoor zenuwachtige stemmen van de BBC World verslaggevers. Het is hier een ver van mijn bed show, dat wel, maar toch heerst er een gespannen sfeer. Phat is ook van de situatie op de hoogt, maar voor de mensen hier in het dorpje is het te onwerkelijk om uit te leggen.
Een bezoek aan dit dorpje in het Virachay Nationaal Park was dan ook niet gepland, maar we kunnen niet anders. We zitten hier vast. Aan het begin ging alles goed. Phat kwam me 's ochtends vroeg ophalen om een avontuurlijke 5 daagse jungletrek te gaan maken. Maar ik kreeg a little bit more than I bargained for, zouden de Engelsen zeggen.
Het was een lange rit achterop de motor. Een kilometer op vijftig, zestig misschien en de weg was wederom dramatisch, maar dat is hier geen nieuws meer. We kwamen aan bij het plaatsje Ta Veng, de laatste stop in de geciviliseerde wereld zoals wij die kennen. We zijn naar de plaatselijke rivier gereden, waar Phat een boot geregeld had om diep het park in te kunnen varen.
Voordat ik vertrok voor mijn jungletocht ontmoette ik in het hotel een man uit Zwitserland. Hij kwam net terug van een expeditie om de gibbons in het gebied te bestuderen. Hij werkte voor de universiteit van Zurich (zie ook zijn site: www.gibbons.de) Nadat ik een tijdje met hem gepraat had wist ik eeen beetje wat ik kon verwachten. Er was geen pad of zelfs maar een spoor diep in het woud. Hij vertelde dat je gewoon met je schoenen en kleren aan hele stukken langs de rivier loopt in het ondiepe oeverwater. Soppen dus en dat heb ik geweten.
We stapten in de boot en voeren weg. Al gauw nam Phat een andere vissersboot op sleeptouw in ruil voor hulp bij de stroomversnellingen. We voeren namelijk stroomopwaarts en de rivier was vaak zeer ondiep en smal. Bij de eerste die we tegenkwamen vond ik het allemaal nog wel leuk. Ik heb er ook nog foto's van gemaakt hoe de vissers onze boot tegen de stroom in langs de rotsen trekken. Mijn broek was inmiddels zeiknat en bij iedere stap klotste het water in mijn schoenen. Geen probleem, je wilde toch een survivaltocht? Dan krijg je die ook.
Na een tijdje zeiden de vissers ons gedag en gingen we alleen door in onze zeer smalle en wiebelende boot. De motor was achterop het vaartuig bevestigd en met een ruim 2 meter lange staaf met de schroef verbonden. Dit samen met de de platte bodem stelde ons in staat om in zeer ondiep water te varen en zelfs tegen kleine stroomversnellingen op te komen. Ik vreesde alleen het ergste voor mijn dure camera. De boot was namelijk zwaar instabiel, bij de minste of geringste beweging helde hij al vervaarlijk over en kwam er al water de boot binnen.
Na een paar stroomversnellingen met de motor opgekomen te zijn en een paar andere met waden en zwemmen, was ons geluk ten einde. Phat bracht de boot in stelling voor een nieuwe stroomversnelling maar de motor redde het niet. De neus van de boot draaide weg en we gingen achteruit. Ik probeerde me uit alle macht in evenwicht te houden in de zeer sterk schommelende boot. Het water liep aan alle kanten binnen en plotseling hoorde ik achter me een schreeuw en een plons. Phat had met de motor een rots geraakt en doordat we door de stroming terug gevoerd werden, duwde de stuurhendel hem overboord. Dat was nog niet het ergste. De motor werd door de kracht van het water uit zijn borging gedrukt en sloeg ook overboord. Verder raakte de bodem een rots en sloeg de boot lek. Phat kwam proestend boven en riep in paniek: 'The motor, the motor, we lose the motor!'
Ik sprong ook maar overboord zodat ik de boot aan z'n touw naar de oever kon trekken. De stroming was zo sterk dat ik gelijk onder de boot doorgespoeld werd, maar ik hield het touw stevig vast en na stug doorzwemmen (met kleren en schoenen aan) kwam ik bij de oever aan. Phat kwam ook aangezwommen en ging verslagen op de oever zitten. Ik kon zien dat hij lichtelijk in paniek was. 'Please, please, can you help me? Motor is very expensive, I cannot afford!' Hij dook het water weer in en probeerde tegen de stroming in naar de plaats te zwemmen waar de motor overboord was geslagen, maar dat lukte natuurlijk voor geen meter; de stroming was er veel te sterk. Ik sprong ook maar weer het water in en zwom naar de andere oever. Daar liep ik langs de kant en liet me van de stroomversnelling afglijden waar we in eerste instantie niet opkwamen. Toen ik bij de plaats aankwam waarvan ik dacht dat de motor zou liggen, dook ik onder en zwom naar de bodem van de rivier. Ik zag de motor liggen, maar hij was veel te zwaar om omhoog te krijgen. Ik kreeg er geeneens beweging in en uit zuurstofgebrek moest ik alweer naar de oppervlakte. Ik vertelde Phat dat ik de motor gezien had en hij probeerde het op dezelfde manier, maar het ding was veel te zwaar.
We hebben even zitten balen en toen kreeg ik een idee. Ik pakte m'n waslijn en liep over de rotsen naar de stroomversnelling. Phat snapte gelijk wat ik bedoelde en hij liet zich aan de waslijn afzakken naar de plaats waar de motor lag. Toen dook hij onder en het lukte hem om de lijn aan de motor vast te binden. Toen hij weer bovenkwam hebben we samen geprobeerd om de motor naar ons toe te trekken, maar het kreng zat muurvast. Phat pakte de boot waar ook een lang touw aan vastzat en liet hem de stroom afzakken tot boven de motor. Het touw maakte hij vast aan een boomtak en we sprongen allebei het water weer in. We doken onder en wrikten het ding los. Daarna gebruikten we de boot als hefboom en hesen de motor uit de diepte naar boven. Het lukt maar net en het touw sneed flink in m'n handen. We sleepten het geval naar een ondiepe plaats met rustiger water zodat we de motor op konden tillen. Uiteindelijk kregen we het kreng op het droge. Ik was keikapot…
Maar wat nu? De motor was helemaal vol water gelopen. Doordat de motor op de rotsen geslagen was, had de olieafsluiter op het carter een oplawaai gehad. De dop was in tweeën gebroken en er zat dus ook water in het carter en in de cilinderkop. We hebben de motor op z'n kop gehouden en overal liep water benzine en olie uit. Niet al te best voor het milieu hier, maarja de term 'milieu' kwam toch al niet in het Cambodjaanse woordenboek voor.
We hebben de boot leeggehoost, over de rotsen langs de stroomversnelling heengetild en aan de andere kant aan een boom vastgelegd. Daarna zijn we de motor gaan halen. Het kreng was loeizwaar en de rotsen zeer glibberig. We zijn dan ook nog een keer met motor en al omgelazerd, maar uiteindelijk konden we de motor weer achterop de boot bevestigen. Phat probeerde hem nog te starten. Tevergeefs natuurlijk, zodat we gedwongen werden lopend onze weg te vervolgen.
Af en toe ging ik even in de boot zitten om hem leeg te hozen. En Phat trok de boot aan het touw voort. Na anderhalf uur kwamen we in het dorpje aan waar ik nu (een dag later) nog steeds zit.
20 maart, Virachay National Park
Vanochtend vroeg hebben we geprobeerd de motor te repareren, maar zonder gereedschap werd dat nogal moeilijk. Ik heb met mijn Leatherman (thanks guys!) nog het luchtfilter en de carburateur losgekregen zodat we daar in ieder geval het water uit konden krijgen. Verder heb ik ook nog de ontsteking getest zonder dat ik de bougie loskreeg (het zakmes in de ontstekingsdraad gestoken, vervolgens bij de cilinder houden en proberen te starten, bedankt pa!) Ik zag vonkjes, dus dat werkte weer, maar ik kon natuurlijk niet beoordelen of binnenin de cilinder de bougie ook vonkte. Na een uurtje sleutelen zat het ding weer in elkaar. We hebben ook de carterolie nog bijgevuld. De mensen hier in het dorpje hadden namelijk nog een oude motor liggen waaruit we het afgetapt hebben. We hebben ons vervolgens het zweet op de rug staan trekken aan het startkoord maar we kregen het kreng niet gestart. Ik denk dat er nog water in de cilinder/bougie zit, maar ik kan het er zonder gereedschap niet uitkrijgen. Phat is daarom te voet vertrokken naar een ander dorp om gereedschap te halen. Hij zei dat het een halve dag heen en terug was. Ik heb dus wel even de tijd om dit verslag bij te werken…
Het is wel apart. Ik zit hier in een dorpje van een of ander minderheidsgroepering. De mensen spreken natuurlijk geen woord Engels, alles is handen- en voetenwerk. Gisteravond werd er voor ons gekookt. Rijst, een soort omeletten, komkommerachtigen en een vleeshachee. Ik nam enthousiast een paar scheppen van het vlees op m'n bord, maar al na de eerste hap sprongen de tranen me in de ogen. Het vlees bestond uit koeielever, gemarineerd in tandpasta met drie kilo chilipepers vermengd en gelardeerd met klodders vet. Minority food, noemde Phat het en ik kreeg al kots- en diarreevisioenen voor de komende nacht. Ik heb me maar bij de omeletten gehouden, maar die smaakten ook alsof ze twee eieren met schaal en al in het zoutvat gekieperd hadden en vervolgens de hele mikmak in de pan gepleurd hadden. De rijst en de komkommers waren ok, dus daar heb ik m'n honger maar mee gestild.
Verder drink ik hier water uit de rivier. Ze koken het wel eerst voor je, maar het blijft toch een rare gewaarwording. Het is nu een dag later, maar ik ben er nog steeds niet ziek van geworden. Het scheelt natuurlijk wel dat mijn maag al twee maanden op Aziatische les zit…
Naar het toilet gaan is ook een aparte ervaring. Er is namelijk geen toilet. Ik zocht maar een plaatsje in het bos op om even een lekkere bolus te draaien. Zat ik net lekker te knallen, komt er een boer voorbijgelopen. Hij groette me vriendelijk en liep door alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Voor hem is dat ook zo denk ik. Ze zitten hier nergens mee. De vrouwen lopen gewoon in hun blote tieten rond, de oma's ook… Ze roken ook allemaal een pijp en zelfs kleine gastjes van een jaar of 8 lopen met een van bladeren gerolde peuk in hun tokus rond.
Slapen doe ik hier in een hangmat, die Phat voor me meegenomen heeft. Er hangt ook een muskietennet boven wat je in deze malaria en deguefever rijke streken hard nodig hebt. Ik heb me ook helemaal ingesmeerd met 50% DEET want dit is niet de plaats waar je ziek wilt worden. Over ziek zijn gesproken, hier in het huis waar ik logeer ligt een zieke vrouw die dag en nacht verschrikkelijk ligt te hoesten. Om de paar minuten rochelt ze een zwartgroene fluim op, die ze vervolgens vakkundig tussen de bamboelatten door, op de grond onder de hut spuugt. Daar staat altijd wel een dankbaar varkentje klaar om ze lekker op te slobberen….
Het is hier echt een kwestie van je verstand op nul en je westerse mores laten varen, maar ik ben wel blij dat ik me tegen t.b.c. heb laten inenten. Verder moet je hier ook niet bang zijn voor alles wat kruipt en klautert. Gisteravond toen het donker begon te worden kwam er vanalles tevoorschijn gekropen. Tussen de pannen en schalen door kropen duimgrote kakkerlakken en een soort van tuinspinnen in het kwadraat. Nou ben ik toch niet echt bang van spinnen, maar deze muisgrote monstertjes heb ik toch af en toe vakkundig naar beneden gekicked: kippenvoer!
Phat is vanmiddag teruggekomen met gereedschap. Niet echt een denderende collectie want er zat nog geeneens een bougiesleutel bij. Hij heeft ook een tweede ranger meegenomen die wat ouder en ervarener is dan Phat en die ook verstand heeft van motoren (en dus niet zoals Phat gefrustreerd met een schroevendraaier in de carburatuer gaat zitten wrikken…) Om de bougie los te krijgen gebruikten we hetzelfde trucje dat pa me ooit geleerd heeft om bouten met een dolgedraaide kop los te krijgen. Scherpe schroevendraaier, hamer, groefje slaan en dan schuin de bout uit zijn draad tikken. Werkte perfect. Inmiddels was het halve dorp om ons heen komen staan om onze verrichtingen nieuwsgierig te volgen. De bougie was inderdaad nog steeds nat en we hebben 'm schoongemaakt en weer gemonteerd. Al na de eerste keer proberen startte de motor! Heel het dorp blij en iedereen elkaar op de schouders slaan! Machtig om te zien. Gelijk werd ik overal uitgenodigd om rijstewijn te komen drinken. Best lekker spul, alleen het feit dat iedereen aan dezelfde bamboe rietjes loopt te lurken was niet echt een geruststellende gedachte…
Ik ben m'n camera gaan halen die aandachtig door iedereen bewonderd werd. Vooral inzoomen vonden ze fantastisch en ze keken in de lens zoals een kind achter de t.v. kijkt om te zien waar al die mensen toch vandaan komen. Ik heb ook nog een paar foto's gemaakt van oude gegroefde koppen met open uitgerekte oorlellen en een pijp in hun mond zodat pa straks weer wat te schilderen heeft.
Na de lunch vervolgden we onze tocht dieper het woud in. De andere ranger ging met ons mee en ik had nu dus twee rangers voor de prijs van een! De boot had weliswaar een tik gehad en maakte licht water, maar de rangers losten dit op door continu onder het varen de boot leeg te hozen. De tweede ranger, genaamd Tavang, was erg behendig met de boot en kreeg hem moeiteloos de meest ruwe stroomversnellingen op. Na een paar uur varen werd de rivier op sommige stukken zo woest dat we de boot over de rotsen moesten tillen. Na een tijdje ging dat zelfs niet meer en hebben we onze weg te voet vervolgd.
Rond een uur of vier 's middags hebben we ons 'base camp' opgezet langs de rivier. Mijn slaapplaats bestond uit een hangmat met een stuk zeil eroverheen gespannen. Er was namelijk slecht weer op komst. In de verte zagen we al lichtflitsen van een naderend onweer. Er kwamen nog wat inheemse vissers aangelopen. Ze droegen een paar enorme vissen bij zich die ze aan bamboe stokken vastgemaakt hadden. We kregen een vis van ze en het avondeten kon boven een paar kampvuurtjes worden bereid. Het was een soort dikke vissoep/pasta met rijst en groenten. Ik heb er in ieder geval flink van lopen schransen. Na de derder keer opscheppen lacht Phat en zei: 'You eat good, tomorrow heavy day!' Ik keek nog eens goed naar m'n bord en zag dat het hetzelfde bord was waarmee we heel de dag de boot leeggehoost hadden. Phat en Tavang aten van de pannedeksels.
Om een uur of zeven 's avonds lagen we al in onze hangmatjes. De eerste druppels vielen en 's nachts werd het ook behoorlijk koud. Ik had vanuit m'n hotel gelukkig een dikke trui met capuchon meegekregen zodat ik niet helemaal lag te vernikkelen. Op de wereldontvanger hoorde ik dat de Amerikanen en Brittten inmiddels Irak binnengetrokken waren en dat Bagdad zwaar gebombardeerd werd. Van het onweer heb ik niet veel gemerkt. Ik was die nacht namelijk al snel vertrokken.
21 maart, Virachay National Park
's Ochtend rond een uur of zes werd ik wakker. Phat was al water voor me aan het koken. We hebben ontbeten en zijn toen vertrokken voor een voettocht naar een grote waterval nog dieper de jungle in. Tavang droeg een geweer met zich mee. 'For the tiger', zei Phat. Maar ik denk eerder dat hij 'For the poacher' bedoelde…
Er was inderdaad geen pad om over te lopen. We liepen langs de oever van de rivier en klommen over alle rotsen en boomstammen heen. Al snel begon de temperatuur te stijgen en ik pakte een van de flessen gekookt rivierwater die ik bij me droeg. Ik nam een slok en het voelde alsof ik een zware sigaar achter in m'n keel uitgedrukt kreeg. Gadverdamme, de rook van het kampvuur was helemaal in het water gaan zitten en het vooruitzicht dat ik de hele dag op dit water moest gaan teren stemde dan ook niet echt vrolijk.
We liepen stevig door en met m'n natte schoenen gleed ik regelmatig uit op de rotsen. Tavang en Phat hadden gymschoenen aan en hadden daarmee een veel betere grip. Ik had dan ook moeite om ze bij te houden.
Op een gegeven moment begonnen met voeten pijn te doen van het lopen met soppige schoenen. Ik trok m'n schoenen uit en ik had door het week worden van m'n voeten blaren gekregen op m'n voetzolen. Gelukkig had ik m'n medikit bij me en ik heb dan ook heel m'n poten ingetaped. We liepen weer verder en kwamen bij een stroomversnelling uit die veel te wild was om langs de rand doorheen te kunnen waden. Tavang begon de steile oever te beklimmen en Paht volgde hem. Ik dacht, 'Tering waar ben ik aan begonnen?' en klom achter ze aan. We kwamen boven in een bamboebos uit en overal waren struiken met doornen en anders scherpe uitsteeksels en haken. We liepen gewoon dwars door de bush bush heen. Overal spinnenrag, lianen die je geniepig lieten struikelen en af en toe zag ik een gifgroen bamboeslangetje voor m'n neus wegschieten. Ik had het niet breed daar, maar Phat en Tavang liepen inmiddels al een heel stuk voor me en ik had geen andere keus dan ze te blijven volgen.
Na een halfuurtje klauteren door de dichte vegetatie kwamen we weer bij het water uit. Daar gingen we even hard weer verder. De rangers zaten op een rots en hun pauze bestond er telkens uit om op mij te wachten. Tegen de tijd dat ik aankwam, stonden ze weer op om verder te gaan. Hierdoor had ik dus amper pauzes en binnen de kortste keren was ik dan ook zo afgemat als een oude hond. Ik nam m'n eigen pauzes maar en liep hele stukken alleen door het gebied. Ik wilde namelijk ook niet het watje uithangen en gaan lopen zeuren, maar ze begrepen niet dat ik een 'city-boy' was en niet een of andere bosjesman die zo snel door een oerwoud kan lopen.
Zo ging het vele uren door en mijn watervoorraad ging er, ondanks de ranzige smaak hypersnel doorheen. Na vele uren klimmen, glibberen en uitglijden kwamen we aan bij de waterval. Mijn lichaam kookte in de tropische zon en ik heb me met al m'n kleren aan in het water laten vallen. Heerlijk koel en het water zag er zo fris uit, dat het verleidelijk was om ervan te drinken. De rangers deden dat ook gewoon. Ze gingen in de rivier staan, bukten en slurpten het water zo naar binnen. Ik keek toe met de fles ranzig rookwater in m'n handen.
We hebben de lunchpakketten die Tavang 's ochtends had bereid, gulzig naar binnen lopen werken. Phat maakte nog wat foto's en nam de coördinaten van deze plek op met zijn GPS. Fucking nog geen 5 kilometer van het base camp verwijderd! Daar hadden we dan 6 uur over gedaan! Phat vertelde dat in de toekomst deze route misschien geschikt gemaakt zou worden voor toeristen. Ik was dus een proefproject. Ik was gewoon mee op expeditie en Phat zelf was ook nog nooit in deze uithoek geweest. Alleen Tavang wist de weg. Lekker gevoel, maar niet heus. Een voordeel was wel dat ik overal op de foto gezet werd en dat mijn kop straks in het rangerstation hangt als toeristische info, hahaha.
Na een halfuurtje gingen we weer terug naar het base camp. Ik moest er niet aan denken om weer zo'n heel takkestuk te lopen, maar ik had geen keus. We moesten zorgen dat we voor het donker weer terug waren, anders zouden we in dit gebied echt een vet probleem hebben. Phat en Tavang zetten er weer goed de pas in en binnen de kortste keren was ik ze weer kwijt. Als een zombie kroop ik over de rotsen heen. Ik gleed uit en trapte wat keien weg in m'n val. Hierdoor werd een enorme leguaan/hagedis (weet ik veel) opgeschrikt en sprintte voor me langs de vegetatie in. Het beest zag eruit als een rennende draak en kwam tot knie/dijbeenhoogte. Gelukkig was het beest banger voor mij, maar ik schrok me toch wel een ongeluk.
Ik sleepte me voort en mijn water was bijna op. Af en toe stopte ik om even af te koelen in de rivier. In de tropische hitte heeft zweten amper zin. Je bent heel de dag zeiknat en toch koel je niet af. Deze trip was geen afzien meer, dit was lijden. Op een gegeven moment was m'n water op en ik moest me echt beheersen om niet rechtstreeks uit de rivier te drinken.
Ik liep door en trof op een gegeven moment Phat en Tavang weer aan die rokend op me zaten te wachten. We liepen weer door, maar ik was nu zo dorstig en uitgeput dat ik amper meer vooruit kwam. Phat zei nog: 'You drink from the river, very clean water!' Maar dat ging zo tegen alles in wat GGD's, bezorgde moeders en reisboeken me verteld hadden, dat ik dat maar niet gedaan heb. Ik heb m'n tas aan Phat gegegeven en ben uit ellende maar in de rivier gesprongen en heb me lekker drijvend stroomafwaarts met de rivier mee laten voeren. Op deze manier kon ik Phat en Tavang makkelijk bijhouden. Phat riep dan wanneer er in de verte een waterval of stroomversnelling aankwam en dan kon ik op tijd het water uit om er daarna in het veilige stuk weer in te springen. Ging perfect en rond een uur of zes kwamen we weer bij het kamp aan. Paht en Tavang gingen verderop de visnetten checken. En ik ging als een bezetene een vuurtje bouwen om water te koken. Phat had me een pakje groene thee gegeven om ervoor te zorgen dat de rooksmaak niet weer in het water ging zitten. Ik was zo uitgeput dat ik, nadat ik in het vuur had zitten blazen om het water te laten koken, knock-out ging toen ik weer opstond. Het water moest een kwartier koken om alles goed te killen en het waren de langste vijftien minuten uit m'n leven. Ik zette na het koken de pan in een ondiep stuk rivier zodat het water snel af kon koelen en heb daarna achter elkaar twee liter thee naar binnen lopen werken. Er zat nu helemaal geen rooksmaak meer aan.
Ik heb hout gezocht en een groter vuurtje gebouwd waar ik m'n broek en t-shirt boven heb laten drogen. Ik dacht namelijk aan het vooruitzicht van weer een koude nacht en ik wilde echt niet zonder lange broek in de hangmat liggen. Terwijl ik m'n broek liet drogen moest ik de bloedzuigende vliegen van me afslaan. Het waren een soort horzels en waar ze je gestoken hadden lieten ze een klein druppeltje bloed achter. Mijn benen waren inmiddels een slagveld van blauwe plekken, insectenbeten, striemen en schaafwonden en op m'n armen had ik een vaag soort uitslag wat waarschijnlijk door een of andere plant of struik veroorzaakt was.
Phat en Tavang kwamen weer terug van het vissen en begonnen eten te maken. Ik heb gulzig lopen eten en ben toen als een blok in slaap gevallen.
De volgende dag zijn we al teruggegaan. Paht had geen voldoende voorraad bij voor drie personen. Ik vond het helemaal niet erg om de trip met een dagje in te korten. Ik had wel weer genoeg gezien van het oerwoud om de luxe van slechts het simpelste hotelletje enorm te gaan waarderen. We hebben heel de tocht in een keer terug afgelegd. Zonder problemen deze keer. Ik kwam laat in de middag als een zombie aan in m'n hotel en ik heb twee dagen geslapen.
Na een tijdje ben ik weer terug gegaan naar Phnom Penh, waar ik heerlijk heb lopen proleten en genoten heb van alles wat het fenomeen supermarkt te bieden had. Mmm, chocolade koekjes! Ik ben een paar dagen opgetrokken met een Franse Pied Noir, een Madagaskariaan (hoe noem je zo'n knakker eigenlijk?) en twee Zweedse meisjes en daarna ben ik vertrokken naar Vietnam waar ik nu eindelijk eens even dit verslag af kon ronden. Arthur is inmiddels gearriveerd en we zijn vanmiddag naar de markt geweest en in de cyclo (een soort riksja) weer terug gereden naar ons hotel.
Saigon 1 en 2 april
Gisteren zijn we naar een groot waterpark geweest hier in Saigon. Midden in de stad van levensgevaarlijk snelle glijbanen afrausen. Namen als de Tornado en de Kamikaze stonden garant voor blauwe plekken en zere noten. In ieder geval een stuk erger dan wat ik al in de Spaanse waterparken meegemaakt had en ik vond die krengen soms al behoorlijk hard gaan. Tja, ze laten hier het spektakel niet belemmeren door veiligheidsmaatregelen, maar je kunt het ook overdrijven...
Vandaag zijn Arthur en ik naar de Chu Chi tunnels geweest. Dat is een immens groot tunnelcomplex ten Noordoosten van Saigon. Tijdens de Vietnamoorlog zaten de Vietcong er verborgen en planden vanuit de tunnels hun guerilla-oorlog tegen de Amerikanen.
De Vietcong was zeer creatief met beperkte middelen. Ik heb er de meest ranzige boobytraps gezien. Ze maakten scherpe punten van bamboe en bevestigden die op twee rollen. De twee rollen werden in een diepe kuil geplaatst en konden vrijelijk draaien. De kuil werd afgedekt met takken en bladeren. Je kon echt niet zien of er een val voor je neus lag. Als een Amerikaanse soldaat in de val stapte, zakte hij door de klapdeuren heen en werd door zijn eigen gewicht door de twee slagersrollen heen gefileerd. Woensdag gehaktdag en dit was slechts een van de vele technieken om de Amerikanen te demoraliseren.
Mijnen maakten de V.C. zelf van onontplofte Amerikaanse bommen. Die zaagden ze gewoon doormidden en haalden er de springstof uit. Ze hadden hele ondergrondse werkplaatsen hiervoor en van de TNT werden mijnen met een vertraging van 3 seconden gemaakt. Dan werden de vitale delen van de Amerikaanse tanks beter geraakt.
De vele tunnels waren in de sterke kleibodem uitgehakt en konden de Amerikaanse bommen weerstaan. Alleen de grote joekels uit de B52 penetreerden diep genoeg om een a twee niveaus van de tunnels in te laten storten. De Vietcong deden er alles aan om de tunnels geheim en gevaarlijk gebied voor de Amerikanen te houden. Zo waren er ingangen onder water langs de oevers van rivieren. De rook van de ondergrondse keukens werd via een systeem van drie kamers gefilterd en honderden meters verderop pas naar buiten gelaten. Om de Amerikaanse herdershonden te misleiden werden er Amerikaanse uniformen en tabak (gejat uit de naburige Amerikaanse basis en van de doden op het slagveld) bij de ventilatiegaten van de tunnels gelegd. De honden dachten dan dat het een Yankee basis betrof en sloegen niet aan.
De zogenaamde tunnelratten, speciaal getrainde kleine Amerikaanse militairen, werden bestreden door de tunnels op sommige plaatsen zo nauw te maken dat alleen de Vietnamezen er maar doorheen pasten. De tunnelratten achtervolgden de Vietcong, kwamen vast te zitten en vervolgens ging achter hen een geheim luik open waar altijd wel een geniepig VC- tje zat om ze af te schieten. Verder lagen de tunnels bezaaid met boobytraps zoals valkuilen, slangen en geheime deuren. Tunnelrat was dan ook een van de slechtste baantjes tijdens de Vietnamoorlog....
Arthur en ik zijn zelf de tunnels nog ingeweest. Ongelooflijk nauw en klein. Je moet echt geen last van claustrofobie hebben om daar in te durven gaan. Ik zou er niet aan moeten denken om daar ik oorlogstijd rond te moeten kruipen. Rokerig, stoffig, overal vallen en dan de lenige en snelle Vietcong die op je schieten. Ook voor de Vietcong zelf moet het een hel geweest zijn. Vooral tijdens de vele zware bombardementen van de Amerikanen. De Chu Chi zone had van de bevelhebbers minimale restricties gekregen op het gebied van de zogenaamde 'Rules of engagement' Er werd geschoten op alles wat bewoog en vliegtuigen die op missie waren geweest in een ander gebied moesten er alles wat ze nog aan boord hadden aan bommen vrijelijk rondstrooien.
Het was een leuk detail dat er tijdens onze wandeling op sommige plaatsen zogenaamde tripwires lagen. Er was altijd wel een dikke Amerikaanse koe die ze niet opmerkte en erop trapte. Dan gingen er een paar rotjes af en riep iedereen: 'You're dead!' Dertig jaar geleden was je dat dan ook. Of eigenlijk eerder zwaar gewond, want dan was je een zwaardere belasting voor de rest van de troepen.
Er was ook een shooting range aanwezig en daar kon je met alle mitrailleurs schieten die door de Amerikanen en Vietnamezen gebruikt werden. Athur moest natuurlijk de communistische guerrilla uithangen en even met een AK-47 (Russische makelij...) schieten. Ik heb er nog een filmpje van gemaakt.
We stonden nog even te kijken naar een gastje met een M-16 (Amerikaanse soldaten gebruikten dit wapen) en maakten wat foto's toen we opeens een hels lawaai hoorden. Een van de gasten uit onze groep vond het wel een leuk idee om even met een M-60 te knallen. Dat is een zeer zware mitrailleur waarmee je binnen no-time een heel bos kunt omploegen. Sjezus wat een geweld, dat is niet normaal meer! Ik had in Cambodja ook al eens van die foldertjes gezien. 'Come and visit our shooting range!' en daaronder een geflipt figuur met een enorme collectie rambowapens en de tekst ' Why not fire a B-40 rocket?' Rare jongens die Aziaten...
4-8 april
Mmm, daarnet lekker gegeten in een visrestaurant hier in Nha Trang. We hadden een zogenaamde 'hotpot' besteld. En we wisten dus niet wat we konden verwachten. De serveerster kwam aanlopen met een grote schaal met allerlei zeevruchten erop. Krab, garnalen, inktvis, kabeljouw(?) en noem maar op. Vervolgens bracht ze een schaal groenvoer waar een konijnenhok een week van kan feesten. Wij zaten nog een beetje wazig naar dit alles te kijken toen ze aan kwam trippelen met een grote pan en een gasstel. We mochten zelf vissoep gaan maken!
We bleven even versuft als twee onbeholpen imperialisten, naar de gerechten op tafel kijken, niet wetende waar we moesten beginnen en wat waar precies in moest. De serveerster kwam ons domme Hollanders al snel helpen en dumpte zonder pardon de hele schaal aan visvoer, inclusief gehele krabben met verbaasde oogjes en al de pan in. Flinke vlam eronder en koken maar. Vervolgens pakte ze de toren groenvoer en gooide die ook de kokende massa in, gevolgd door wat noodles en dan maar lekker roeren.
Het smaakte allemaal prima. Afgezien van een groente die de serveerster 'bitter cucumber' noemde. 'You try!' zei ze tegen me met twinkelende oogjes. Niet lang daarna begonnen mijn oogjes ook te twinkelen. Niet te vreten dat spul!
We hadden trouwens nog heerlijke 'spring rolls' vooraf. Dat zijn een soort Vietnamese loempia's, maar dan met vlees van een krab bereid. Zeer goed te eten en weggespoeld met een paar biertjes waren we voor 10 Dollar in totaal het manneke. Niet echt duur dus voor dergelijk dineren, maar vis is hier dan ook behoorlijk goedkoop. We zitten nu namelijk in Nha Trang, een kustplaatsje aan de Zuid Chinese zee. We zijn hier gisteren gearriveerd en hebben de hele dag als een stel luie club-medders op het strand rondgehangen. De enige lichaamsactiviteit was het optillen van een arm om weer eens wat te eten of drinken te bestellen. Ah, het betere leven...
Vandaag hebben we een boottocht gemaakt. In eerste instantie had ik op de pier zo mijn twijfels. De haven lag namelijk vol met boten speciaal voor toeristen en het was een drukte van belang. Een authentieke snorkelervaring in onbedorven wateren zoals in Cambodja zat er dan ook niet in, vreesde ik. De boot was zeer groot en we zaten dan ook met een man of veertig aan boord. Bij de eerste 'duik' kregen we onze snorkelgear uitgereikt. Materiaal wat ze rechtstreeks bij de lokale Intertoys weggehaald hadden. Flippers waren niet beschikbaar en als je maar even onderdook met de maskers liepen ze gelijk vol met water.
Even balen natuurlijk, maar de aard van deze trip was heel anders. We hadden een 'entertainer' aan boord. Een geflipte Vietnamees met een enorm pokdalige kop. Hij gooide een zogenaamde floating bar overboord en iedereen verzamelde zich in een reddingsboei drijvend eromheen. Dan ging hij spelletjes spelen, waarbij je geen 'No' mocht zeggen. Natuurlijk had hij een arsenaal aan trucjes paraat om iedereen toch 'No' te laten zeggen en als je dat deed moest je verplicht drinken. Een soort wijn en dan hoppa, fles aan de bek en tanken maar! What did you say! What did I hear!? Did you say ENNNNN-OOOOOOO!? Now you drink! Langzaamaan werd iedereen een beetje zat in z'n boei en steeg de stemming. Een lokale visser kwam ook nog even langs om mee te zuipen. Na een half uurtje klonk uit zijn bijna tandeloze mond: I love you, you love me! Now we get married! tegen een of andere luid giechelende Zweedse muts. Fuck you and drink! riep Pokdaaltje en we bakten verder in de middagzon. Ah een mooi tripje, echt iets voor Pietje, Rassie en Bjorn!
We zijn gisterochtend hiernaartoe vertrokken vanuit Dalat. Dat is een fris bergstadje in de centrale Highlands van Vietnam, een kilometer of 200 ten Noorden van Saigon. We hebben daar een paar heerlijk koele dagen beleefd. Het plaatsje ligt namelijk op een hoogte van 1500 a 2000 meter en dat scheelt enorm in de temperatuur. 's Avonds hadden we er zelfs een trui nodig en alle hotels hebben er ook een douche met warm water (wat een luxe na 2 maanden!)
In Dalat hebben we voor 2 dagen een motor gehuurd en zijn er op uitgetrokken. De bergwegen waren een enorm doolhof en we moesten dan ook lang zoeken voordat we wat toeristische attracties konden vinden. De bergwegen waren trouwens ook spannend om zelf te berijden. Je weet nooit of er om de volgende bocht weer een kamikaze vrachtwagen- of buschauffeur komt zeilen op de verkeerde weghelft. Luid tuuterend en alle motoren de berm in duwend razen die lui de bergwegen af. Ik ben ook maar als een Vietnamees gaan rijden en heb in een dag tijd de claxon meer gebruikt dan in Nederland in vijf jaar.
We hebben in Dalat het zogenaamde 'Crazy house' bezocht. Dat is een raar bouwwerk op een van Dalat's heuvels en is gebouwd door een nichtje van Ho Chi Minh. Een geflipt mens met veel te veel make-up en kleding uit de sixties. De bouwwerken zijn moeilijk te beschrijven. Een combinatie van Gaudi en Anton Pieck komt nog het dichtste in de buurt. We hebben de verschillende torens verkend en overal waren organisch gevormde kamers met namen als de 'Bear Room' en de 'Bamboo Room'. Het leuke was dat je ook echt in de kamers je intrek kon nemen. Wel leuk, maar een beetje buiten het budget...
Verder zijn we in Dalat ook nog naar de Valley of Love geweest. Dalat is namelijk een zeer populaire bestemming voor Vietnamezen om hun Honeymoon te vieren. De Valley was traditioneel Vietnamees dan ook het toppunt van kitsch. Met meren waarover je met als zwanen gevormde boten kon varen, tot aan als cowboys en indianen verklede Vietnamezen die op paarden voorbij kwamen gereden. Overal plastic nepbeelden en kitscherige bloemperkjes. Echt verschrikkelijk, maar de Vietnamezen vinden het prachtig....
10-13 april
Na een paar zeer luie dagen in Nha Trang beleefd te hebben, zijn we in de nacht van donderdag op vrijdag met de trein vertrokken naar Danang. We hadden een slaapcompartiment geboekt en hoewel het allemaal redelijk ouwe zooi was , konden we toch perfect gestrekt liggen. Echt de beste manier van reizen, veel beter als een bus. Daar slaap ik altijd voor geen ene meter in. Nee het zachtjes schommelende treintje wiegde ons heerlijk in slaap en we werden dan ook pas rond een uur of negen 's ochtends wakker. Bij ons in de coupe lagen ook twee Vietnamezen. Een ervan was een bejaarde man die nog kolonel was geweest in het Zuid Vietnamese leger ten tijde van de Vietnamoorlog. Hij woonde nu in Amerika en vertelde ons over zijn tijd in het leger.
We kwamen rond een uur of elf aan in Danang. In eerste instantie hadden we het plan om gelijk door te reizen naar Hoi An, maar we besloten toch een dagje Danang te doen. De reis had ons namelijk geen enkele extra dag gekost. Slapen moet je toch...
Op het perron werden we weer belaagd door de gebruikelijke horde van motor, minibus-, en taxichauffeurs. We hadden al een hotel uitgekozen en namen twee motorbikes om ons ernaartoe te brengen. Bij het hotel aangekomen vertelden ze ons dat ze ons ook op de motor naar Hoi An konden brengen, terwijl we dan onderweg het Vietnamese platteland konden bezoeken. In eerste instantie waren we natuurlijk een beetje wantrouwig, maar toen lieten ze ons een paar boekjes zien waarin enthousiaste verhalen stonden van andere reizigers. In meerdere talen werden Mr Minh en Mr Tang van harte aanbevolen en we besloten dan ook maar om met hen op pad te gaan.
Na ons even opgefrist te hebben (de hotelkamer rook trouwens hetzelfde als de douche op het Nonnenveld...) vertrokken we naar een bergpagode in de buurt van Danang. De berg staat ook bekend om zijn marmer en overal in het gebied zijn werkplaatsen waar je voor weinig geld enorm grote marmeren beelden kan laten maken. In grote kratten stonden de bestellingen opgestapeld om per schip de hele wereld over verzonden te worden. Ondanks de hogere vervoerskosten zal het een stuk goedkoper zijn dan het marmer uit Italie...
We hebben de bergpagode en de bijbehorende grotten bezichtigd. Mr Tang bleef bij de motoren en Mr Minh fungeerde als gids. Minh vertelde dat hij als 20 jarige ook in het Zuid Vietnamese leger mee heeft moeten vechten. Toen de Amerikanen de oorlog verloren (juist ja) werden alle Zuid Vietnamezen door de Noordelijke Communisten in zogenaamde re-educatiekampen gestopt. Minh vertelde dat een dag in het kamp aanvoelde als een jaar in de buitenwereld. De verminderde rechten van de Zuid Vietnamezen duren nu nog voort. Tot drie generaties zelfs. Zijn zoon die universitair opgeleid is, wordt afgewezen voor banen, waar veel minder gekwalificeerde Noord Vietnamezen wel voor aangenomen worden. Vaak mogen de oud strijders ook geen grond en huizen bezitten en kost het veel meer moeite om ergens een vergunning voor te krijgen. En vergunningen, daar zijn ze hier dol op. Net als stempels en formulieren. Daar krijg je als toerist ook regelmatig mee te maken.
Terug in Danang was het inmiddels tijd voor het avondeten. Minh en Tang vroegen of we geen zin hadden om met hen naar een visrestaurant te gaan. Ik had al in de boekjes gelezen dat Minh de betaling voor zijn rekening nam en dat je daarmee voor de 'Vietnamese prijs' kon eten. We aten zeeslakken met de meest mooie schelpen. Na iedere slak flikkerden Minh en Tang de schelpen op de grond onder de tafel. Dat was lokaal gebruik en wij deden ze dan maar na. De slakken smaakten zeer goed. Veel minder snotterig en zout dan oesters en we dipten ze in een lekkere mix van citroensap, zout, peper en chili. Verder aten we gegrilde zeevis, waarvan ik de naam echt niet weet. Zeg maar een vis, type aquarium. Zeer goed te eten. Dit alles werd begeleid met een soort van geroosterde rijstmatzes en rauwe groentes met een sterke kruidensmaak. We spoelden alles weg met ladingen van het lokale LaRue bier. Zeer goed te drinken en behoorlijk goedkoop. De krat stond naast onze tafel en de Vietnamezen hadden het tempo er goed inzitten. 'Ok, this is Hanoi!' Minh wees op zijn volle glas. 'Now we drink all the way to Danang!' Daarop zette hij het glas aan zijn mond en dronk het glas half leeg. Nam een teug adem en zei: 'Now we go to Saigon!' en dronk het glas helemaal leeg. Arthur en ik deden hen maar na, daar zijn we ook niet te beroerd voor. Het mooiste was nog wel de rekening. Omgerekend zes en een halve Euro in totaal. Voor vier personen, inclusief bier, sigaretten en de berg zooi onder onze tafel!
De volgende dag vertrokken we met de backpacks gewoon tussen het stuur en de buddyseat geklemd naar Hoi An. Eerst gingen we echter naar My Son. Dat is een World Heritage site en bestaat uit ruines van de voormalige bewoners van dit gebied, de Cham, voordat ze verdreven werden door de Vietnamezen. We reden door het Vietnamese platteland en af en toe stopten onze chauffeurs om iets te vertellen over de rijstteelt, oorlogsmonumenten of om een bepaald gewas uit de grond te trekken, zoals pinda's. Rauw smaken die dingen totaal anders dan zoals wij ze in Nederland kennen.
My Son vond ik een beetje tegenvallen. De site was in de oorlog zwaar gebombardeerd door de Amerikanen en na de stijl en grandeur van Angkor Wat was het maar een zielige hoop stenen en beelden die er te bewonderen waren. Ik begin een beetje verwend te worden, hahaha!
Na My Son zijn we doorgereden naar Hoi An. Onderweg hebben we nog een zijdeweverij bezocht. Schitterend om te zien, al die oude engelse weefgetouwen uit de tijd van de Industriele Revolutie. Ik heb er ook nog een filmpje van gemaakt.
Nu zijn we dan in Hoi An. Het kledingmekka van Vietnam. Er zitten in dit kleine plaatsje meer dan honderd kleermakers. Overal kan je maatkleding laten maken voor zeer weinig geld. Ik heb een broek die lekker zit laten kopieren. Daar zijn ze hier ook goed in. Je geeft gewoon je broek af en ze maken hem na voor 10 Dollar ofzo. Ik heb ook nog iets speciaals laten maken voor het EK van volgend jaar. Wanneer het af is maak ik er wel een foto van....
14 tm 21 april.
Zo mijn ontzettend foute glimmende oranje pak is af. Ik heb volgend jaar wat te dragen wanneer Nederland Europees kampioen wordt! Zie de foto's op de site!
We zijn wat langer in Hoi An gebleven, want het is een enorm relaxed plaatsje. Lekker overzichtelijk, je kunt er goed eten en de kleine straatjes doen Frans gezellig aan. We hebben ook nog een dagje strand gedaan en zijn de 16e met de bus vertrokken naar Hue. De rit ging over een bergachtige kustweg met overal rijstvelden en mooie uitzichten over de Chinese zee. We reden door verschillende kleine plaatsjes en de busschauffeur was er weer eentje van het type, niet ouwehoeren, maar gasgeven. Opeens trapte hij midden op een tweebaansweg vol op de rem en zette zijn bus schuin neer, daarbij allebei de banen blokkerend. Ik denk dat iemand hem wenkte om te stoppen, om mee te kunnen reizen. Kort daarna hoorden Arthur en ik achter ons een klap. Twee motorrijders achter ons zaten niet echt goed op te letten en waren tegen de zijkant van de bus aangebotst. Ze waren gelukkg niet al te ernstig gewond, maar een van de motoren lag flink in de puin. Gelijk kwam heel het dorp aangerend om zich ermee te bemoeien. Overal druk gebarende Vietnamezen, gehurkte toeschouwers en kinderen die de botsing nadeden met hun fietsjes. Hoppa, de busschauffer de menigte in en druk meegebaren en ratelen in een taal die voor westerlingen onmogelijk te leren valt. Even later kwam zowaar de eerste agent ter plaatse. Daarna volgden er nog twee. Niet echt veel geluk voor degene die de schade moest gaan betalen. Namelijk, hoe meer agenten er ter plaatse zijn, hoe meer er aan steekpenningen betaald moet worden... Na een tijdje het schouwspel gevolgd te hebben, ben ik maar met mijn boek verder gegaan. Na een uurtje reden we door alsof er niets gebeurd was. Hoewel, de chauffeur reed nog veel harder om de verloren tijd goed te maken. Nee, geef mij de trein maar, dat reist toch een stuk relaxter dan die kamikaze busvloot hier.
In Hue aangekomen hebben we een relaxte kamer genomen, met ligbad, warm water, satelliettelevisie, minibar enz. Vanwege de oorlog in Irak en de vrees voor SARS in deze streken is het toerisme hier enorm ingezakt. Daar profiteren wij nu van door overal flinke kortingen op de kamers te vragen. Vanwege de concurrentie kunnen ze niet anders dan daarmee instemmen. We hebben nu voor hetzelfde geld telkens een veel luxere kamer!
We zijn gaan lunchen in Thu's Cafe On Wheels. Thu is een geflipte Vietnamese muts en verzorgt al een jaar of acht motortochten in en rond Hue. Alle muren van haar cafe zijn bedekt met berichten, spreuken, aanbevelingen en andere kreten over Thu, haar 11 broers en de motortochten. In allerlei talen werden de tours aanbevolen, ook in het Haags: 'Doet mèn zo'n brommert in de Haag!' en in het Belgisch: 'Vree wijs, echt de'n Max! Mee met den Honda Dream en al. Bijna net zo schoon als Gent!' Zo ging het nog vele muren door en we besloten dan ook maar om voor de volgende dag een tourtje bij Thu te boeken. 's Ochtend rond een uur of negen vertrokken we. Om de een of andere mysterieuze reden had Thu aangenomen dat ik zelf wel wilde rijden. Iedereen in onze groep van zeven had namelijk een chauffeur, behalve ik. Geen punt, ik ben inmiddels wel gewend aan die Aziatische werkpaardjes. We vertrokken en onze eerste stop was de Thien Mu pagode.
Het ding leek een beetje op de scheve toren van Pisa en was vooral beroemd om de auto van een boeddhistische monnik. Deze oude Austin stond achter de tempel. De monnik was in 1963 vanuit deze pagoda naar Saigon vertrokken om daar uit de auto te stappen, benzine over zich heen te gieten en zichzelf vervolgens in de fik te steken. Dit als een protest tegen de toenemende godsdienstonvrijheid in Vietnam.
Na de pagode zijn we over het platteland naar een oude Japanse brug gereden. Terwijl we door een klein dorpje reden schoot er opeens een Vietnamese vrouw op de fiets uit een paadje vlak voor me. Ik moest enorm in de ankers en de bandjes piepten uit protest. Gelukkig kwam het niet tot een botsing, maar vooruitkijken in het verkeer, daar doen ze hier niet aan. Als mensen hier vanuit stilstand wegrijden, dan kijken ze ook niet in de buitenspiegel of naast zich, nee, ze geven gewoon vol gas. De hele houding van Azie is; we zien wel. Alles is goddelijke voorzienigheid en men gelooft heilig in reincarnatie. Dat verklaart dan ook het gedrag van de busschauffeurs...
We hebben ook nog de tombes en de verboden stad van een oude keizer en zijn meer dan honderd concubines bezocht. Meer dan honderd vrouwen en geen enkel nageslacht. 'Small banana...', zei onze gids. Dat small banana geleuter hoor je hier vaker. Is ook een leuke manier om Vietnamezen te pesten in de kroeg. Ze roepen dan in verweer; 'Small chili, but very spicey!'
Oze gids liet ons nog wat kleine leuke details zien. Ze kwamen we aan bij de waterput van een dorpje. De dorpelingen gebruikten er een oude Amerikaanse legerhelm als wateremmer. Rond een uur of twee zijn we weer teruggereden naar Hue. Het was een aardige tocht, maar alle toejuichingen op de muren van Thu's cafe vonden Arthur en ik wel een beetje overdreven. Onze toch met mr. Minh en mr. Tang was veel authentieker en leuker.
De volgende dag hebben we de oude citadel van Hue nog bezocht en 's middags rond een uur of vijf zijn we met de trein vertrokken naar Hanoi. De treinrit was heel gezellig. We hebben shithead en poker gespeeld met een meisje uit Ierland en een meisje uit Duitsland. We hadden allemaal ladingen chips, nootjes en snoep ingeslagen en in de trein verkochten ze bier. Het was uiteindelijk een kort nachtje, want de trein kwam al om 5:30 aan in Hanoi. We hebben een hotelkamer gezocht en zijn eerst nog een paar uur gaan tukken. Daarna hebben de oude binnenstad van Hanoi bezocht.
De volgende dag werd ik wakker en voelde me een dooie hond. Die nacht was ik tig keer mijn bed uitgeweest en naar de plee gerend voor een shitbreak. Ik zocht naar m'n thermometer en nam m'n temperatuur op. Mmm, twee graden koorts en een hartslag van over de honderd. Heb ik weer, maandenlang is er niks aan de hand, kom ik in Hanoi (SARS- gebied) en krijg ik koorts. Ik ben heel de dag maar een beetje brak in m'n nest blijven liggen, afgewisseld met ontelbare toiletvisites. Vandaag gaat het weer redelijk. De koorts is over en m'n ingewanden beginnen langzaamaan tot rust te komen. Ik zal wel iets verkeerds gegeten hebben. Bij de receptie zeiden ze nog tegen Arthur; 'We call doctor for you?' Mensen stressen hier een beetje. Vandaag zei de receptioniste nog tegen me dat ik naar de apotheek moest gaan om medicijnen te halen. Ik zei nog dat ik niet zou weten waarvoor. Maar de cultuur hierzo is dat mensen boos worden op hun arts wanneer hij ze geen medicijnen voorschrijft. Ik ben ziek, dus ik heb medicijnen nodig; gaat de redenatie. Misschien dat daarom telkens de nieuwe ziektes uit deze regionen komen. Men doet hier namelijk zijn uiterste best om alle bacterien te trainen in antibioticaresistentie...
22 tm 25 april
Zo weer eens wat nieuws uit SARS-land. Alles gaat nog steeds prima. Ik ben weer helemaal de oude. Het heeft wel een paar dagen geduurd, maar ja, shit happens. Letterlijk!
We hebben de 22e een rustig dagje Hanoi gedaan. We hebben de Temple of Literature bezocht. Confucius heeft daar nog gedoceerd en de universiteit heeft vele beroemde filosofen en schrijvers voortgebracht. We hebben er een middagje rondgelopen. Een heerlijk rustige oase midden in druk Hanoi. De architectuur was wel mooi, maar toch niet echt het indrukwekkende van Thailand en Cambodja. De Chinees geinspireerde stijl hier hanteert vele materialen die niet echt duurzaam zijn, zoals baksteen, glazuurbetegeling en leisteen. Hierdoor en door de langdurige verwaarlozing van de monumenten in de streng communistische periode, zien alle gebouwen er niet zo heel indrukwekkend uit. Zeker niet als je ze vergelijkt met de Boeddhistisch/Indiase geinspireerde gebouwen in Thailand en Cambodja. Die zijn veel duurzamer en rijker vormgegeven. Maar ja, hier is de natuur weer veel mooier. Ieder land zijn ding.
We zijn net terug van Halong Bay. Dat is een schitterend mooie baai in het Noordoosten van Vietnam. We hebben een driedaagse boottocht geboekt en het was zeker de moeite waard. Halong Bay bestaat uit meer dan 3000 eilandjes, waarvan de meeste nog niet eens een naam hebben. De baai met zijn grote leistenen rotsen, die uit de groene heldere wateren van de Chinese golf uitrijzen, is bezaaid met grotten, kleine strandjes en geheime lagunes. Een schitterend decor voor een boottrip dus.
We vertrokken 's ochtends vroeg met de bus naar Halong City en vanuit de haven daar voeren we met de boot Halong Bay op. Onze eerste stop was bij de Sung Sot Grotto. Een enorme grot in een van de vele rotseilandjes. De grot was behoorlijk hoog gelegen, groter dan een concertzaal en schitterend verlicht. Ik heb er met mijn digitale camera nog een paar foto's van gemaakt en deze zijn door de belachelijk krachtige flits van het ding (zet een persoon te dicht bij en hij staat totaal wit op de foto) heel goed gelukt. Vanuit het plateau voor de ingang van de grot was er ook een mooi uitzicht over een stukje van de Halong Bay. Zie hiervoor de foto's op de site.
Na de grot zijn we naar een afgelegen baai gevaren en was er gelegenheid om te zwemmen e.d. De nacht hebben we doorgebracht op de boot. Dat was nog niet zo relaxed want het ding was infested met kakkerlakken, muizen en muggen. Dat spul kwam 's nachts allemaal tevoorschijn gekriebeld en dat maakte mijn nachtrust er niet echt beter op. Ik ben dan ook om 02:30 op jacht gegaan en heb 15 muggen gemold. Overal bloedspetters op de muren, lekker hoor. Van een stuk laken heb ik een muskietennet gemaakt, dat voor het open raam gespannen en er vervolgens rijkelijk DEET over gesprenkeld. De rest van de nacht hebben we dan ook geen last meer gehad.
De volgende dag zijn we vertrokken naar Cat Ba Island. Dat is het grootste eiland in Halong Bay en het is ook een nationaal park. We hebben er een jungletrek ondernomen en we zijn naar het hoogste punt van het eiland geklommen. Daar was nog een oude bunker waar de Vietminh uitzicht over de baai hielden tijdens de oorlog tegen de Fransen. Ook Ho Chi Minh zelf had de plaats bezocht en onze gids vertelde waar hij toen precies zat enzo, lekker belangrijk! Het uitzicht was in ieder geval fantastisch, de klim was iets minder. Ik had de koorts van een paar dagen geleden nog een beetje in de benen zitten en bergop was dan ook behoorlijk zwaar in de tropische warmte. Ik heb bovenop de berg nog een paar filmpjes en foto's gemaakt, als het goed is staan ze morgen op site (he Pimmeke?) Aan de ene kant is een enorm weids uitzicht over de dampende Halong Bay te zien en aan de andere kant een dorpje op het eiland zelf. In dat dorpje hebben we gelunched na onze tocht en daarna zijn we weer met de boot vertrokken om te gaan kayakken in de baai.
Bij het bedrijfje waar we de tour geboekt hadden, waren we de enige klanten. De gids regelde per bestemming telkens een groep voor ons waar we dat gedeelte van de tour mee ondernamen. De gids was een ontzettend luie rukker en ging dan liggen slapen terwijl hij op ons wachtte. Ach, het kon ons niet zoveel boeien. Het kayakken hebben we alleen ondernomen en was ook heel erg ontspannen. De baai is op veel afgelegen stukken onzettend rustig en kent ontelbare strandjes en grotten om te verkennen. Arthur en ik gingen af en toe een strandje op om een beetje rond te banjeren en afgezien van het zachte kabbelen van de zee en het gekwetter van vogels was er niets te horen. Echt heerlijk rustig. We moesten wel zelf in de gaten houden hoe we weer terug moesten (al die rotsen beginnen na een tijdje behoorlijk op elkaar te lijken) want de gids was weer eens te lui om mee te gaan en ging liever op het dek van de boot liggen slapen. We zijn maar niet te ver weggegaan.
Na het kayakken zijn we weer naar Cat Ba island gegaan en hebben daar de nacht doorgebracht in een hotel. De volgende dag zijn we terug gegaan naar Hanoi. Het was een schitterende tocht en ik kan Halong Bay dan ook tot een van de favoriete bestemmingen van deze reis rekenen!
15 mei 2003 (ontvangen)
Zo daar ben ik weer. Lange tijd niets van me laten horen, maar ja af en toe word ik ook een beetje mailgaar (nieuw Nederlands woord?) Op het moment ben ik weer terug in mooi Hanoi. Ik heb inmiddels mijn visum voor Laos en straks vertrek ik richting Vientiane. Weer lekker terug de derde wereld in dus. Dat zal wel even wennen zijn na de luxe van televisies, airco, warm water en koelkasten op de hotelkamer!
Arthur is inmiddels weer lang en breed terug in Nederland en geconcludeerd uit het ontbreken van een overlijdensbericht, de quarantaine van 10 dagen goed doorgekomen. (Hee Arthur; Ik kan nu eindelijk de weg vinden in het oude centrum zonder kaart en zonder telkens te verdwalen!) Tja SARS is inmiddels wel onder controle hier in Vietnam en ik ga dus maar nieuwe gevaren opzoeken, zoals de schietgrage rebellen in Laos. Het moet natuurlijk wel interessant blijven he?
Na Halong Bay hebben Arthur en ik Ninh Binh nog bezocht. Dat is een plaats ongeveer 100 km ten zuiden van Hanoi. Het landschap leek wel een beetje op dat van Halong Bay (zie de foto's) maar in plaats van water tussen de rotsen, waren er nu rijstvelden en dorpjes te zien. Dit gebied, genaamd Tam Coc, hebben we verkend met een bootje dat voortgestuwd werd door met hun voeten roeiende vrouwen. Het nadeel was dat deze tocht enorm toeristisch was en toen we eenmaal op het water zaten en niet meer konden vluchten, we aangesproken werden door de roeivrouwen om allerlei zooi te kopen. Ik heb maar mijn meest ongeïnteresseerde gezicht opgezet en ze gaven het dan ook al snel op. De tocht op zich was heel erg mooi. Het riviertje liep onder enkele rotsen door en dan bevond je je even in de grotten van Han. Op de terugweg begonnen de vrouwtjes achter ons nog te roepen "tip, tip!" 'Yes very deep', zei Tuur en wees op het water. Even keken de vrouwtjes elkaar lullig aan en riepen vervolgens: "pourboire, pourboire!" en begonnen aan mijn shirt te trekken en in mijn vel te knijpen. Ik heb ze maar genegeerd, we hadden immers al een flinke toeristenprijs voor het tripje betaald. Even later stapten we weer aan wal. Achter me hoorde ik Arthur nog geïrriteerd zeggen 'You have to earn a tip, not demand one.' Hahaha, maar ja dat krijg je met toerisme en rijke Amerikanen...
De dag erna zijn we 's ochtends vroeg met de Lada naar het Cuc Phuong National Park vertrokken. Onze gids was deze keer iemand uit het Noord Vietnamese leger. Wel leuk om alle verhalen nu eens van de andere kant te horen. Hij had in vele oorlogen gevochten. Tegen de Amerikanen, de Koreanen, de Chinezen en hij was ook Cambodja ingetrokken om aldaar tegen de Rode Khmer te vechten. In Battambang, waar ik ook geweest ben, was hij enkele malen in zijn buik geschoten en hij had nu nog maar een klein stuk maag en dikke darm over. Hij vertelde dat hij een paar jaar in het ziekenhuis heeft gelegen en dat hij op een gegeven moment nog maar 30 kilo woog. Zijn ouders kwamen iedere dag aan zijn bed en huilden omdat ze dachten dat hij ging sterven. Wonder boven wonder is hij er bovenop gekomen.
Hij vertelde Arthur en mij ook over de beruchte Ho Chi Minh Trail. Een geheime transportroute die ook door Laos en Cambodja liep (daarom bombardeerde Amerika ook stiekem die landen zoals ik al eerder schreef.) Soms hadden de soldaten niets te eten en dan gingen ze jagen in het oerwoud. Wanneer ze wat langer op dezelfde plek van de trail bleven, dan plantten ze gewassen aan zodat troepen die later langs kwamen dan weer voedsel hadden. Het was een hard bestaan en al die tijd zag hij zijn familie niet.
Hij werkt nu voor een hotel en is daar assistent-manager. Hij verdient nu meer dan toen hij nog in overheidsdienst was, maar had spijt dat hij bij de overheid weg was gegaan. De hogere verdiensten hadden hun prijs, hij moet nu namelijk 16 uur per dag werken en zijn baas is een eikel. Althans, dat zal je een Aziaat nooit horen zeggen, maar dat kan je wel uit zijn verhaal opmaken. Hij had het geld nu eenmaal nodig verzuchtte hij. Zijn kinderen gingen studeren...
Cuc Phuong zelf was een mooi stuk natuur, alleen jammer dat we er op zondag waren. Het stikte er namelijk van de (ongetwijfeld welgestelde) Vietnamezen die er even de stinkstad kwamen ontvluchten. Gelukkig waren ze allemaal lui en kwamen ze niet verder dan de eerste stop: 'The 1000 year old tree' waarna we het woud voor onszelf en de kleurrijke vlinders hadden. De oude enorme bomen waren magnifiek om te zien. De gids vertelde dat de leeftijd van de 1000 jaar oude boom een schatting was en dat het pas definitief bepaald kon worden wanneer men de boom zou omzagen...
De volgende dag zijn we weer met een noodgang teruggescheurd naar Hanoi. De chauffeur had er zin in! We zijn teruggegaan naar ons oude hotel en de volgende ochtend is Arthur teruggevlogen naar Saigon, om vanuit daar de volgende dag via Kuala Lumpur terug te vliegen naar Amsterdam. Ik was weer alleen. Snif, maar gelukkig went het snel en ik ben dezelfde dag met de trein vertrokken richting Sapa.
In de trein ontmoette ik Itamar, een arts van 32 uit Israël. We deelden samen met een stel uit Noorwegen de soft sleeper coupe. Echt een heerlijke manier van reizen. Niet verkrampt en rechtop heel de nacht in zo'n pokkebus zitten. Nee, heerlijk in slaap gewiegd worden door het ritme van de trein. Een afsluitbare deur, tafeltje om te kaarten, leeslampjes boven ieder bed, ja geef mij de trein maar.
We hebben met z'n vieren tot diep in de nacht over van alles en nog wat geouwehoerd en waren rond 9 uur in het grensstadje (China) Lao Cai, vanuit waar we met een busje doorreisden naar Sapa. In Sapa heb ik samen met Itamar een kamer gedeeld. Zoals het een echte jood betaamt was hij een ster in onderhandelen. Ik heb geobserveerd en geleerd en het scheelt me nu elke keer behoorlijk wat geld. We hebben onze intrek genomen in het Queen hotel en hadden een kamer met schitterend uitzicht over het dal en de 3143 meter hoge Fansipan. Sapa ligt zelf op 1650 meter hoogte en het is er daarom lekker koel en 's avonds zelfs een beetje koud. Ik had er dan ook twee t-shirts en een sweater aan.
Itamar heeft zijn hele leven in de kibboets gewoond. Hij vertelde me over het Palestijns - Israëlisch conflict en zijn 3 jaar diensttijd in het leger. Zelfs de meisjes moeten daar het leger in (gnah, krijgen de feministen tenminste waar voor hun geld!) Ieder jaar moet hij voor een maand of twee als reservist komen opdraven. Of je nu tentamens hebt of net gaat trouwen, dat maakt niets uit, als het leger roept dan ben je verplicht om te komen. Hij vertelde dat iedereen het haatte om naar het leger te moeten, maar dat iedereen altijd trouw aan de oproepen gehoorzaamde. Hij had geen goed woord over voor de orthodoxe Joden en de Israëliers die in de bezette gebieden wonen. De orthodoxen betalen namelijk geen belastingen, dienen niet in het leger en willen de bezette gebieden tegen enorme kosten bezet houden. Zij controleren het land en laten de anderen voor de kosten en de ellende opdraaien. Een hervormer als Rabin werd dan ook niet door Arabieren vermoord, maar door de eigen harde kern. Zoals altijd is het fundamentalisme van welke godsdienst dan ook weer de aanleiding tot de haat. Ons is het ook overkomen, kijk maar naar de Middeleeuwen en daarvoor de kruistochten. Dat fundamentalisme zie je nu vooral in de Islam. Het zal dus nog wel even duren voordat de wereld daarvan verlost is (als het ooit zover komt.) Tot die tijd is het een van de drie K's die de wereld regeren. (Voor degenen die het zich afvragen; dat staat voor Kut, Kerk en Kapitaal.)
In het Israëlische leger krijgt iedereen een rigoreuze training en ook echt iedereen daar staat zijn mannetje (of vrouwtje) als het op knokken aankomt. Soms ook wel tegen een hoge prijs want Itamar heeft het tijdens de zo realistisch mogelijke trainingen regelmatig meegemaakt dat er slachtoffers vielen. Een keer schoot iemand een vriend van hem per ongeluk door het hoofd bij een training in een kamer waar net een granaat was ontploft. Itamar vertelde dat heel nuchter. Hij zei dat iedereen dat veel liever heeft omdat ze dan tenminste een normale begrafenis kunnen hebben en dat men niet hoeft te onderhandelen met bijvoorbeeld Hezballah om teruggave van een lichaam. Het is de prijs die de joden moeten betalen voor Israël.
Itamar was ook enkele malen op speciale missie geweest. Hij mocht daar eigenlijk niet over vertellen, maar zag ook wel in dat het voor mij toch allemaal een ver van mijn bed show is en dat ik geen enkel belang bij die informatie heb. Hij vertelde over search and destroy missies aan de grens met Libanon waar de terroristische Hezballah actief is. Op een moment zaten ze bovenaan een heuvel en werden ze gespot door een paar strijders die een RPG (Rocket Propelled Grenade) op hun team afvuurden. Gelijk openden ze het vuur en schoten de stijders dood. Itamar vertelde dat hij veel films over oorlogen had gezien, maar dat niets je voorbereidt op het enorme onbeschrijflijke lawaai wat een vuurgevecht met zich meebrengt. Ik kon me er nadat Tuur bij de Chu Chi tunnels met een AK-47 had geschoten (en een Engelsman met een zware M-60) wel iets bij voorstellen. Dat geluid komt op het filmpje ook helemaal niet over, maar in het echt voel je de knallen door elke vezel galmen. De RPG sloeg niet ver van Itamar in en blies een stuk van zijn helm weg en letterlijk zowat de kleren van zijn lijf. Wonder boven wonder was hij afgezien van wat schrammen niet gewond, maar een van zijn maten had het er slechter vanaf gebracht en moet nu een been missen.
Die helm, daar had hij veel aan te danken gehad. De Israëliers gebruiken een met kunststof vezels versterkte helm, die inslaande projectielen via de ingenieuze structuur van de vezels af laat ketsen (tot op zekere hoogte dan he.) Een keer heeft hij de werking hiervan mogen aanschouwen bij een training. Wederom ging het fout en ging er bij een vriend van hem per ongeluk het pistool af. De kogel raakte een andere soldaat vol op zijn helm en hij sloeg achterover door de impact. De kogel had de helm niet gepenetreerd maar was afgeketst op de vezels. Afgezien van een hersenschudding en een pijnlijke nek was de soldaat ok, over mazzel gesproken...
Voor de Palestijnen kon Itamar (afgezien van de terroristen) wel sympathie opbrengen. De meeste willen gewoon een bestaan opbouwen en hun kinderen opvoeden in een vredelievende samenleving. De Palestijnen hebben echter niets en zijn voor hun water en elektriciteit e.d. afhankelijk van Israël. Soms is het wel lachen vertelde Itamar. Dan moeten ze met het leger een nederzetting bewaken en de (orthodoxe) bewoners beschermen tegen de Palestijnen. De bewoners zijn soms zo brutaal om er op uit te trekken met manden om fruit te jatten van de arme Palestijnen. Hij verbiedt ze dat dan met zijn unit en de orthodoxen gaan dan enorm te keer en schelden op ze, maar Itamar laat ze niet door. Achter zijn linie staan dan de Palestijnen te lachen natuurlijk, die vinden dat prachtig.
Enfin, genoeg over oorlog en ellende geouwehoerd. Sapa was schitterend en omdat iedereen 'm knijpt voor SARS ook heerlijk rustig en goedkoop. Overal lopen er meisjes en vrouwen van de H'Mong en de Zao stammen rond. Vooral op zaterdag, want dan is het er markt en dan komt iedereen uit de omtrek van Sapa om zijn waren aan de man/vrouw te brengen. Ze proberen de backpackers ook van allerlei kleding en sieraden te verkopen. Ik heb daar totaal geen interesse in en op een gegeven moment kreeg ik het zelfs gratis. 'You very handsome, present for you!' en dan giechelend naar vriendinnekes rennen. Ik heb nu een paar metalen armbanden en wat van die gevlochten polsbandjes voor niks. Ik vond het wel sneu want ze zijn al zo arm, maar ja van teruggeven willen ze niet weten en da's ook behoorlijk onbeleefd. Een keer was ik in een dorpje waar een jong meisje ook armbanden verkocht. Eentje die duidelijk mooier was droeg ze zelf en die bood ze niet aan om te verkopen. Ik vroeg wat die moest kosten. 'O, this one very expensive. My father tell me not to sell.' Om daarna zachtjes te zeggen. 'You give me 100.000 Dong and I sell to you.' Voor de anderen vroeg ze maar 10.000. Ik zag wel waarom pa niet wilde dat ze die verkocht want origineel dragen de H'Mong zilveren sieraden en dit was een massief zilveren armband. Ik kon het natuurlijk niet over mijn hart verkrijgen om hem te kopen al is de armband waarschijnlijk zijn gewicht in zilver al 20 keer zoveel waard. 100.000 Dong is namelijk maar iets van 6 a 7 dollar. De bevolking kan zich soms verplicht voelen om iets aan je te verkopen, ook al willen ze dat eigenlijk helemaal niet. Da's de erfenis van het imperialisme denk ik.
De eerste dag hebben we lekker op ons gemakje Sapa verkend. Restaurantjes verkennen, ervaringen uitwisselen met andere reizigers en we hebben ook 2 Minsks geregeld voor de volgende dag. De Minsk is een 125 cc tweetakt motorfiets van Russische makelij (en kwaliteit) en volgens de overlevering het beste vervoersmiddel voor slecht begaanbare bergwergen. De volgende dag vertrokken we met de Russen om de omgeving van Sapa te verkennen. De Minsk is van massief staal en spuwt lekker blauwe rook als je tegen een berg opscheurt. De versnelling is geenszins van Honda kwaliteit en wie z'n vrij binnen een minuut gevonden heeft krijgt van mij 50 Euro. Mijn Minsk had last van een permanent slippende koppeling en die van Itamar schoot regelmatig uit zijn twee. Loeiend en rook brakend kwamen we aan bij onze eerste stop, Thac Bac, The Silver Waterfall. Het water valt er ruim 100 meter naar beneden, maar het was er een beetje een kermis met Vietnamese toeristen (nationale feestdag) dus we zijn maar doorgekard naar de volgende waterval die bijna precies hetzelfde was. Onderweg passeerden we Tram Ton Pass. Deze ligt op 2000 meter en is de hoogste bergpas in Vietnam. Je hebt er een schitterend uitzicht, maar het meest bijzondere aan de pas is het drastische klimaatverschil. We hadden jassen gehuurd voor de Sapa-kant van de bergen en die jassen hadden we ook echt nodig. Even voorbij de pas verandert het weer compleet en rijd je vanuit de koele lucht en bewolking de zon en hitte in. Het waait flink bij de pas en dat is natuurlijk niet raar gezien het temperatuursverschil. Sapa is de koudste plek van Vietnam en Lai Chau aan de andere kant van de bergen de heetste. Dat geeft schitterende luchten, waar de oude Hollandse meesters jaloers op kunnen zijn.
We kwamen aan bij de volgende waterval en daar was geen toerist te bekennen. Wel kwamen er wat arme schoffies aanlopen (zie foto) om die rare westerlingen te bekijken. Het was lunchtijd dus we parkeerden de motorfietsen en klommen het pad naar de waterval op om lekker stokbrood met tonijn, jam en omelet te kanen (wel apart van elkaar he.) 's Ochtends hadden ze namelijk een lunchpakket voor ons klaar gemaakt in het hotel en de blikken tonijn hadden we zelf op de markt gescoord. Na de lunch weer terug naar de Russen. Itamar checkte even het benzinepeil door de dop van de tank te schroeven (Russen hebben geen meters.) Jezus, we hadden 's ochtends 15 liter in de tank gegoten en nu was hij al voor 2/3e leeg! Dorstige Russen! Een van de schoffies kwam aanlopen en wees op de tank en daarna op een hutje. Daar konden we wel benzine kopen, maar de verhuurders hadden ons verzekerd alleen bij een pomp benzine te kopen, aangezien er langs de kant van de weg van alles doorheengemixed wordt. We besloten dan ook maar om langzaam aan terug te rijden (het was nu toch bijna alleen maar bergaf) totdat mijn Minsk begon te stotteren en uitviel. Ik probeerde hem opnieuw te starten, maar nee hoor. 'Njet!', riep de Rus en hield zijn pedalen stijf over elkaar. Het godverse pokkeding was met geen mogelijkheid aan de praat te krijgen, totdat me iets opviel. De benzinekraan stond dicht! Itamar kwam aangereden en zijn Minsk begon te stotteren en viel ook uit. Bij hem precies hetzelfde, de kraan stond ook dicht. Die vieze gastjes hadden onze benzine gejat en daarna onze kraantjes dicht laten staan! Russen rijden natuurlijk niet zonder een ruime Vodkatoevoer en na het openen van de kraantjes ontwaakten ze lawaaierig uit hun roes. We reden terug naar de waterval, maar daar was opeens niemand meer te bekennen. En tja, wat kun je ertegen doen? Die mensen zijn zo ontzettend arm en voor ons is het alleen maar wat ongemak, want de benzine kost geen kont hier.
We reden terug naar Sapa en namen een andere route dan we gekomen waren. Ik passeerde wat vrachtverkeer en na een tijdje was Itamar uit m'n achteruitkijkspiegel verdwenen. Ik heb langs de kant van de weg even op 'm staan te wachten, maar het bleef maar duren. Ik reed terug en zag hem op een gegeven moment staan. Zijn lijf zat onder de schaafwonden en blauwe plekken. De Rus was er nog slechter aan toe en lag in een coma. Itamar was zo wijs geweest om bergaf, in een bocht, op een gravelweg met zijn voorrem te remmen. Tja, dat gaat natuurlijk niet. We tilden de Minsk op en inspecteerden de schade; spiegel eraf, versnellingspedaal naar de ju, knipperlicht onthoofd, koplamp kapot en een uit het lood staande voetsteun. Itamar zelf was afgezien van wat lakschade in orde en we kregen de Rus aan de praat zodat we terug naar de Vietnamees konden rijden die ons de motoren verhuurd had. Daar aangekomen maakte die zich in het geheel geen zorgen om de Russen, maar riep gelijk tegen Itamar: 'Oh my God! I call doctor for you, ok?' Itamar zei dat die al aanwezig was en dat het allemaal wel meeviel. De Vietnamees had een oom met een garage en daar zijn we maar gelijk naartoe gereden. De man begon gelijk aan de motorfiets te sleutelen. Itamar vroeg een prijsopgave en de schade bedroeg rond de 15 Dollar en of dat niet te veel was? Euh nee hoor! Terwijl de Rus aan de beademing gelegd werd begon Itamar zijn mobiele ziekenhuis te ontvouwen. Ik pakte mijn E.R. er ook maar bij en hielp hem onder de ogen van de vol met afgrijzen toekijkende Vietnamezen zijn wonden te verzorgen. Het enige ernstige was een stukje van zijn vingertop en nagel dat er aardig los bijhing. Ik heb de helften maar weer een beetje aan elkaar geplakt met een pleister en het was niet zo diep dat hij gevoel moest missen ofzo. Terwijl de mannen aan het sleutelen waren ben ik nog een paar flesjes bier gaan halen om op de goede afloop te drinken. Die avond hebben we het maar effe rustig aan gedaan. Voor de volgende dag hadden we een trekkingtocht gepland richting enkele etnische minderheidsdorpen in de bergen en dalen rond Sapa.
's Ochtends vroeg opgestaan en ondanks dat Itamar overal onder de blauwe plekken zat en ongetijfeld behoorlijk stijf moest zijn klaagde hij totaal niet. Hoppa douchen en erop uit! We regelden wederom een lunchpakket en vertrokken te voet richting het eerste dorp genaamd 'Lao Chai' Dat dorpje lag op anderhalf uur lopen van Sapa in een schitterend dal. Onderweg kwamen we allerlei mensen tegen die in de traditionele kleding van hun stam rondliepen. We hebben vooral veel H'Mong en Red Zao gezien. We kwamen wat meisjes tegen die ons 'H'Mong Handicraft' wilden verkopen en ik heb voor Liz en mezelf nog wat souvenirs gekocht. Het meisje heb ik met de spullen die ik gekocht heb op de foto gezet. Toen we wilden doorlopen naar het dorpje zelf werden we gevolgd door een van de H'Mong meisjes. Waar wij gingen, daar ging zij ook. Ze wilde duidelijk onze gids door het dal zijn en wij vonden het wel best. Ze sprak amper Engels en zei op een gegeven moment: 'You, you and you. Go!' En dan wees ze met een weids gebaar over het dal heen. Het duurde effe voordat ik snapte dat ze het Engelse woord voor 'ik' niet wist en dat de derde 'You' dus haarzelf betrof. Het bleek uiteindelijk wel handig te zijn want eenmaal in het dal probeerden we de juiste weggetjes met de kaart te vinden, maar telkens wist zij een betere route. We kwamen aan in Lao Chai en hebben daar met een groepje H'Mong meisjes een beetje zitten ouwehoeren. Ik heb nog een armband bij ze gekocht en vanalles gevraagd over het dorpsleven. De jonge meisje spraken verrassend goed Engels, wat ze puur en alleen van rondreizende westerlingen hebben geleerd. Na een tijdje vertrokken we naar het volgende dorp genaamd Tavan, waar we heerlijk op ons gemakje langs een riviertje gelunched hebben. De terugweg hebben we met z'n drieen op de Minsk gedaan. De chauffeur riep: 'No Problem!' En gaf flink gas. Ik zat helemaal achterop en hield me stevig aan het arme Vietnameesje vast. Mijn vingers zaten helemaal in z'n schouders gegraven, want de 15 kilometer lange hobbelige bergweg was niet een plek waar ik op m'n bek wilde gaan. Na een hachelijk maar ook humoristisch ritje kwamen we weer aan in Sapa. De tocht was leuk geweest, maar we konden proeven dat de dorpjes al zeer regelmatig door westerlingen bezocht waren. De originaliteit was er een beetje af en de handelsgeest had het overgenomen. Voor de volgende dag besloten we dan ook maar om er weer eens met de motor op uit te trekken. 'Face your fears.' zei ik tegen Itamar. Deze keer namen we echter maar geen Russen, maar 2 uiterst betrouwbare Honda Dreams; de werkpaardjes van Azië.
Wederom 's ochtends vroeg opgestaan en lunchpakketten geregeld. We startten de Honda's en trokken erop uit. We volgden dezelfde route als met de Russen, maar we gingen deze keer verder waar we gebleven waren. We hadden kleren en toiletspullen meegenomen zodat we onderweg ergens konden blijven slapen. De weg was in een woord schitterend, net zoals het uitzicht. Lekker goed asfalt overal en al gauw merkten we dat de mensen ons steeds meer aan gingen staren. Ze waren hier lang niet zo gewend aan buitenlanders als in de grote steden en toeristenoorden. Ik zag wat vrouwen van een bergstam lopen die ik nog niet eerder gezien had. Gauw even een praatje maken (niet dus) en wat foto's maken. Itamar liet zijn digitale camera zien en er ontstond natuurlijk enorme hilariteit toen ze zichzelf terugzagen op het lcd-schermpje. We wilden doorrijden, maar de wat oudere vrouwen in de groep wezen met verwachtingsvolle blikken naar mijn buddyseat. OK dan. Wij allebei zo'n etnische minderheid achterop en gas! De jongsten mochten lopen. Onderweg pikte ik er nog eentje op en zaten we dus lekker afgeladen op de Honda. Ik dacht; die willen gewoon voor de gein een stukje meekarren maar 15 kilometer later wilden ze er pas weer af. Dat moeten ze dus elke dag lopen naar de markt! Ik kreeg nog een paal suikerriet van ze, die ik als een antenne tussen de buddy en een handvat stak. Nou alleen de Nederlandse vlag er nog aan en het plaatje was compleet.
Itamar had zijn etnische minderheden inmiddels ook afgedropt en we reden door naar Binh Lu en Tam Duong. Werkelijk overal stopten we even om wat zijwegen in te slaan, wat foto's te maken en om van het uitzicht te genieten. Uiteindelijk kwamen we na een dag door bergen en dalen gereden te hebben aan bij de Chinese grens. De Vietnamese douaniers waren heel vriendelijk, maar de Chinese grenswachters keken ons grimmig aan en maakten gebaren van: Rot op! Het was geen grensovergang die voor buitenlanders toegankelijk is en i.v.m. S.A.R.S. was de grens sowieso al gesloten. Zolang we echter aan de Vietnamese kant bleven konden we de Chineesjes lekker irriteren door onnozel te blijven staan en met verwachtingsvolle blikken op de slagboom te wijzen. Op een gegeven moment stonden ze met z'n vieren te vloeken en te wapperen met hun handen dat we moesten opzouten, hahaha! De Vietnamezen vonden het ook wel grappig en nodigden ons uit voor het avondeten. Zij verveelden zich duidelijk kapot en sommigen hadden geeneens hun uniform meer aan. We hebben heerlijk zitten kanen en ondanks dat zij geen woord Engels snapten en wij geen woord Vietnamees was het toch erg gezellig. De Vietnamese Wodka die zij om de een of andere reden 'Napoleon' noemden, smaakte goed. Ik maakte nog wat foto's en een van de wachters kwam aanlopen met een envelop. Hij schreef er zijn eigen adres op en het was duidelijk dat hij graag kopieën van de foto's wilde hebben. Ik heb ze gisteren op de post gedaan. Na het diner zijn we gauw terug gereden naar Tam Duong om een hotelkamer te vinden voor de nacht. Het begon al flink te schemeren en in het donker wil je niet op deze wegen rijden! Gelukkig hadden we er snel eentje gevonden. We gingen nog even op pad om wat te drinken en kwamen in een restaurantje een Amerikaan tegen. Ik vond het al gelijk een enorme eikel. Hij deed namelijk of hij enorm wereldwijs was en wij een stel boeren (kon uit Amsterdam komen dus...) Hij keek je niet eens aan als hij met je sprak, maar lulde een beetje voor zich uit. Hij had echter wel een goede routetip voor ons, sprak Vietnamees (woonde in Vietnam) en hij wist ook waar er de volgende ochtend een markt werd gehouden. Daarop vroeg hij "What bikes are you drivin'? A Honda Dream!? Ah forget about the route then... You gonna need a Minsk for that. Psss! A Honda Dream..." voegde hij er denigrerend aan toe. Wij dachten natuurlijk 'dat zullen we nog wel eens zien!' Daarop hebben we 'm in z'n amerikaanse vet gaar laten stoven en zijn we terug naar ons hotel gegaan om nog effe de Premier League te kijken (satelliet tv!) en daarna al vroeg in slaap te vallen.
De volgende dag zijn we vroeg opgestaan. We kwamen nog een Vietnamees tegen die vloeiend Engels sprak en hij tekende een kaartje voor ons met de route waar de Amerikaan ons over vertelde. Na een uitgebreid ontbijt zijn we naar de markt vertrokken. Het was een markt waar een heleboel verschillende bergvolkeren zoals de Lao, de H'Mong, de Zay en de Zao te zien waren. Ik heb er een rolletje volgeschoten en er zitten enkele hele leuke foto's bij.
Na de markt zijn we doorgereden om het begin van de alternatieve route te vinden. Na wat rondvragen en wat handen en voetenwerk vonden we het pad. Gelijk reden we een andere wereld in. Een schitterend landschap met overal kleine dorpjes en kinderen die vanuit de rijstvelden gerend kwamen om die rare bezoekers eens even goed te kunnen bekijken. Op een gegeven moment reden we een zeer afgelegen dorpje in. De bewoners waren van de Lao stam en bleven nieuwsgierig, maar ook zeer verlegen van een afstandje naar ons staren. Ik wilde een foto van ze maken maar bang doken ze weg voor de lens. Met de digitale camera ging het beter. Ik hield mijn eigen hand voor de lens en ze zagen tot grote hilariteit mijn hand op het lcd-schermpje heen en weer bewegen. Van mijn hand ging ik naar m'n gezicht en ik maakte een foto van mezelf. Nu ze zagen dat dat niet tot mijn dood leidde nam het enthousiasme toe. Ik maakt een filmpje van ze en het hele dorp kwam uitlopen om mee te lachen toen ze zichzelf terugzagen op het schermpje. Echt fantastisch die mensen. Als blije kinderen verdrongen ze zich rond me en bij ieder woord wat ze van zichzelf terughoorden barstten ze in lachen uit. De vrouwen van het dorp hadden trouwens allemaal pikzwarte tanden. Ik zou niet weten hoe dat komt, maar het lijkt me een of andere traditie. Bij de foto's op de site is het in ieder geval goed te zien bij de breeduit lachende vrouw. Itamar had een zak met snoepjes meegenomen en deelde die uit aan de kinderen (foei! volgens regel 3 van verantwoord toerisme. ) Itamar lachte en zei: 'You realise we're doing a lot of cultural damage here?' Ik antwoordde uit gein dat die bekken hier niet veel rotter konden worden, dus lekker boeiend. En bovendien: 'Doing the damage is the most fun..'
We reden die dag door vele van dergelijke dorpjes en overal waren de mensen even verbaasd om ons te zien. Op een gegeven moment kwamen we bij een rivier aan. Mmm, geen brug, wat nu? Al gauw werd deze vraag beantwoord door een Vietnamees aan de overkant. Hij sprong op een vlot van lange aan elkaar gebonden bamboepalen en duwde zich met een lange stok naar de overkant waar wij stonden te wachten. Hoppa, met motor en al dat vlot op en naar de overkant. De schipper was zo vriendelijk om met mijn camera nog even een foto van ons te maken, maar waande zich gelijk een of andere glamourfotograaf en begon achter elkaar vanuit de meest rare positie's al mijn film te verkwanselen. 'Hoho!' riep ik. 'Enough!' Zichtbaar teleurgesteld gaf hij de camera weer terug. We reden weer door en kwamen een paar kilometer verderop een brug tegen. Hoewel een brug, het was bedoeld als brug, maar de planken lagen allemaal los en toen ik er overheen reed stuiterden ze vervaarlijk. Niet naar beneden kijken en gas geven! Alles ging goed bij mij, maar bij E.T. viel halverwege zijn motor uit en hij had het dus niet zo breed. Uiteindelijk hebben we allebei veilig de overkant bereikt en op ons gemakje gelunched op een grasveldje lang de rivier.
De schitterende route bleef maar duren en rond een uur of vier kwamen we weer op de hoofdweg die terug naar Sapa leidde. We reden weer richting de bergpas en toen we al behoorlijk hoog zaten zag ik in de verte een man met een motor stilstaan langs de kant van de weg. Het was de irritante Amerikaan en hij had motorpech! Ik wees hem er smalend op dat onze inferieure Honda's prima hadden voldaan voor de tocht en dat we geen enkele problemen ondervonden hadden. Zijn Minsk was echter definitief overleden, want de bobine gaf geen vonk meer af. Ondanks dat ik het een eikel vond kon ik hem natuurlijk niet in de bergen achterlaten. Anderhalf uur later zou het donker en koud worden en dan wil je niet in je eentje achterblijven. Ik transformeerde dus maar in een barmhartige Samaritaan, zette mijn voet op zijn voetstep en gaf de trouwe Honda vol de sporen. Het viel echter nog niet mee om de zware Minsk en de Amerikaan de helling van continu 10% op te duwen. Ik redde het maar net met de kracht in m'n been en loeide in de eerste versnelling de berg op. Na een kwartiertje begon mijn Honda te protesteren. Hij hikte en stotterde en viel uit. Duidelijk oververhit door de te zware belasting en het gebrek aan koeling. Op dat moment kwam er een Fransman aangereden op een veel zwaardere motor. De Amerikaan kende hem en de Fransman nam mijn duwwerk over. Het was nu niet ver meer van de bergpas en vanaf daar was het bijna alleen nog maar bergafwaarts. Ik heb mijn Honda een tijdje laten afkoelen en daarna zijn Itamar en ik doorgereden naar Sapa. Daar kwamen we de Amerikaan weer tegen. Hij had een digitale camera met USB kabeltje in zijn hand. Itamar was zijn kabel vergeten mee te nemen en vroeg of hij de kabel van de Amerikaan even mocht lenen zodat hij zijn foto's in het hotel op CD kon branden. 'Nee, geen tijd', zei de Amerikaan kortaf en liep weg. Vuile lijer! We zullen jou nog eens helpen! Volgende keer verander ik in een Farizeeër en kick hem die berg af!
In totaal hadden we meer dan 300 kilometer gereden en het was een schitterende tocht geweest. De volgende dag vertrok Itamar naar Hanoi om vanuit daar nog 2 dagen naar Ninh Binh te gaan voordat zijn visum afliep. Ik bleef nog enkele dagen in Sapa waar ik heel de dag een beetje in het zonnetje op het terras van het 'Mountain View Hotel' rondhing. Daar vertelde ik aan andere reizigers over de route die Itamar en ik gereden hadden en voor iedereen die het wilde tekende ik een kaartje met routebeschrijving. Er kwam ook nog een rare hippy Oostenrijker een praatje aanknopen. Hij was psycho-analist of zoiets. 'I noticed your need for sugar' zei hij mysterieus. Ik zei tegen 'm dat ie dat beter tegen m'n vriendin kon zeggen, maar hij had wel m'n sterrenbeeld in een keer goed geraden. 'That's right', zei ik en dacht ondertussen: 'Now notice your need to fuck off!' Gelijk zei hij: 'You have al little bit of the dark side in you. I can see it in your aura. That's good. Makes life more interesting' en hij liep weer weg. 'Thanks Yoda!' riep ik nog. Vaag figuur.
Ik heb de hoteleigenaresse nog computerles gegeven en geleerd hoe ze haar email op cd kon backuppen. Dat was trouwens nog een verhaal apart. Ze vertelde me over een Amerikaan die voor een paar maanden het hotel over zou nemen. Nadat hij er 3 weken zat en zijzelf eindelijk (waarschijnlijk voor het eerst in haar leven) eens op vakantie kon, zei hij dat hij er geen zin meer in had. Hij had op kosten van het hotel computers aangeschaft en daar zat zij nu mee opgescheept. Een van de computers had een CD-brander en de eigenaresse wilde die gebruiken om gasten de mogelijkheid te geven om hun foto's op CD te branden. De Amerikaan was zo onsportief om alle software te verwijderen en had ook de USB bekabeling meegenomen. Drie keer raden welke Amerikaan dat dus was... Daarom wilde hij Itamar die kabel natuurlijk ook niet uitlenen. Wat een eikel!
Ik dacht natuurlijk:bekijk jij het maar en ik zal dat vrouwtje eens even helpen. Ik heb software gedownload en geïnstalleerd en na een uurtje werkte alles weer perfect. Ik heb een handleiding geschreven om foto's te backuppen, een kabel en CD's laten bestellen en binnen no time was het zaakje geregeld. Het 'registreren' van de 30 dagen probeerversie van de software naar een 'definitieve versie' vormde nog een klein probleempje. Om achter de illegale registratienummers te komen moest ik wat obscure sites bezoeken en voordat ik het wist stond er pontificaal een lul van 30 cm op het computerscherm. Al die Vietnameesjes geschokt natuurlijk en leg dat maar eens uit. Ik heb me de 5 minuten die mijn illegale speurtocht kostte maar breeduit en alles verhullend voor het scherm gepositioneerd want de computers stonden midden in de lounge van het hotel opgesteld. Toen alles geregeld was kon ik als wederdienst 2 dagen gratis eten en drinken in het hotel. Goede deal!
Ik wilde in dezelfde kamer (met schitterend uitzicht) blijven toen Itamar weer naar Hanoi vertrok. We waren aangekomen tijdens een nationale feestdag (volgens mij was het internationale dag van de arbeid?) en toen was het behoorlijk druk in Sapa. We betaalden 6 Dollar in totaal voor onze kamer en met mijn nieuwe Joods getrainde handelsgeest was ik natuurlijk niet van plan om dat nu in m'n eentje te gaan betalen. Ik knoopte dus maar een gesprekje aan met de uitbater en zei dat nu Itamar weg was ik de kamer voor de helft wilde. Ok, geen probleem en of ik er ook nog een DVD-speler met 60 nieuwe films bij wilde hebben? Euh, ja da's best hoor... Die avond en de volgende heb ik 4 films achter elkaar gekeken zodat ik het fenomeen 'Televisie' tenminste voor de komende 2 maanden weer spuugbeu ben.
Nu ben ik alweer bijna een week in Hanoi waar ik ook Itamar weer ontmoet heb. We hebben foto's uitgewisseld en daarna is hij terug naar Bangkok vertrokken. Ik ben verder voor Luuk nog op pad geweest om DVD's te scoren. Die kosten hier omgerekend maar 1,20 Euro per stuk wat tot de volgende conversatie leidde bij de lokale illegale platenboer:
Ik: 'Beste lokale illegale platenboer. Doet u mij maar een kilo DVD's.'
Vietnamees: 'Xin Chao! Mag het een onsje meer zijn'
Ik: 'Ja hoor, geen probleem.'
Vietnamees: 'Anders nog iets?
Ik 'Nee, dat was het wel. Dankuwel en de groeten.'
Vietnamees: 'Cam ûn!'
In werkelijkheid duurde het echter wat langer, want toen ik eenmaal ongeveer 30 bakken met 3000 DVD's doorgespit had, hiervan 200 uitgekozen, deze allemaal eerst getest en uiteindelijk 36 stuks gekocht had, was ik een dag verder. Je moet namelijk oppassen dat je geen in de bioscoop opgenomen films koopt. Gemakkelijk te herkennen aan een of ander vadsig Amerikaans silhouet dat met popcorn en cola in z'n handen door je beeld loopt. De volgende dag naar het postkantoor. Ik had een meisje bij een restaurant op laten schrijven wat 'Ik wil graag een stevige kartonnen doos' in het Vietnamees was. Geen probleem en ik heb daarop het volgende zinnetje uit m'n hoofd geleerd: 'Tôi muôn hôp khée và cûng?' Bij het postkantoor aangekomen moest ik eerst achter de balie komen om de inhoud van de te verzenden spullen te laten controleren. Over de foto's en souvenirs werd met geen woord gerept, maar toen de douanbeambte de stapel DVD's zag begon ze moeilijk te doen. 'No Vietnam. Copy! No possible.' Ik dacht godverju, wat moet ik nu met die stapel DVD's beginnen? Daarop tikte ze me op m'n been en maakte het universele gebaar voor; 'Kom maar op met je knaken!' Ik heb haar dus om moeten kopen. Na een tijdje onderhandelen ging ze akkoord met omgerekend ongeveer 15 Euro. Ik liep weer weg uit het kantoortje en meldde me bij het baliemeisje. In mijn beste Vietnamees zei ik: 'Tôi muôn hôp khée và cûng?' Volgens mij kwam het een beetje dubbelzinnig over want ze keek me behoorlijk verschrikt aan. Alsof ik net gezegd had dat ik haar eens even stevig in haar doos wilde nemen ofzo. Enfin, na wijzen op een stapel dozen en wat handgebaren begreep ze het en barstte samen met nog een ander meisje in lachen uit. 'O you mean: Tôi muôn hôp khée và cûng?' Ja dat zeg ik toch muts! Ach ja, met 6 verschillende betekenissen puur afhankelijk van de intonatie van een woord kon ik me er wel iets bij voorstellen. Net zoals met mijn naam. 'Tom' heeft afhankelijk van de uitspraak 2 verschillende betekenissen, namelijk 'Garnaal' en 'Vrouwelijk geslachtsdeel.' Vanwaar toch die rare associatie tussen beiden? In Cambodja was het een stuk beter gesteld met mijn naam. Daar betekent mijn naam: 'Groot'. Kan ik me toch beter in vinden… Hier in het internetcafe zijn trouwens ook een stelletje Vietnamese crimineeltjes bezig. Ze proberen servers te hacken, hebben programma'tjes om passwords te achterhalen en schrijven dit alles weg in een logfile. (Voor de digibeten onder ons: ze jatten en kopieëren dus je huissleutels en bewaren alle sleutels in een archief.) Laat ik nou net dat archief gevonden hebben! Ik kon dus van een waslijst vreemden de email lezen, hun creditcardnummers bekijken en zelfs inlogcodes van hun banken inzien! Het was geen onzin want ik probeerde een paar emailadressen uit en ze werkten allemaal. Binnen de kortste keren had ik toegang tot de prive-mail van een of andere Duitser die aan iemand anders mailde, dat hij het wel eens met een travestiet wilde doen. Ieder password werkte en ik heb me een middag goed vermaakt. Er zaten ook enkele Nederlandse adressen tussen en aan die personen heb ik uit vaderlandsliefde maar een waarschuwingsmailtje gestuurd. De Vietnameesjes zijn op dit moment bezig om spullen te bestellen met de gestolen creditcardnummers. Ze komen zelfs zo ver dat ik de hele medische geschiedenis inclusief medicijngebruik van een of andere Amerikaan uit Oregon op het scherm zie verschijnen. Niet normaal meer! Ik vraag me alleen af hoe ze al die spullen willen laten bezorgen zonder de aandacht op zichzelf te vestigen. Hahaha, nu bestelt hij een karrevracht Viagra op rekening van een of andere vrouw uit Florida! Lachen hoor, maar wat kan ik er tegen doen? Ik brouw er weer een eind aan want over een uur vertrekt mijn bus naar Vientiane (hoofdstad van Laos) en ik wil voor die lange reis nog even goed gegeten hebben.